Duurzame buurten: coproductie in Berlijn (Fatkoehl Architecten)

Neem de vraag wat met de bewoners kan gebeuren binnen 10-15 jaar mee in een project.

Neem de vraag wat met de bewoners kan gebeuren binnen 10-15 jaar mee in een project.

Wat bezielt de Berlijnse architect Florian Köhl om steden te zien als ecosystemen? De onvermijdelijkheid van verandering, zo blijkt. Alles in onze leefomgeving verandert. Voortdurend. Een stad is vele systemen tegelijk die veranderen en waar de mens zich voortdurend moet aan aanpassen. De ene dag kan je je vrij bewegen, de andere dag staat er een muur. Zelfs ruimtelijke gebieden die niet kunnen veranderen, veranderen toch. Het niemandsland rond de Berlijnse muur bleef over al die jaren geen terrein zonder ingrepen. ‘De ene dag heb je één regel, de volgende dag komen er vluchtelingen aan en moet je weer aanpassen’, zei Köhl in Genk.

Op 27 april organiseerde vzw Architectuurwijzer Stad Limburg - architectuur, landschap en stedenbouw in C-Mine een lezing van deze Berlijnse architect (FatKoehl Architecten). Köhl trad op als architect en projectregisseur van een gebouw waar hij zelf ging wonen en tenslotte zijn kantoor in onder bracht. Dit gebeurde met een Baugruppe of bouwherengroep. Titel van de lezing: Coproducing urban ecosystems. Köhl heeft vijftien jaar eigen architectuurpraktijk. Hij vertelde over drie gebouwen en één interventie in de openbare ruimte, tot stand gekomen via coproductie met bewoners/gebruikers.

Coproductie van stedelijke ecosystemen

Als organisch ecosysteem heeft een stad nood aan coproductie, vindt Köhl. Hij stelt zich vooral deze drie vragen:

  • hoe kunnen we onszelf zover krijgen (emanciperen) om deel te worden van die stad? Volstaat het om onze mening te geven? Of gebeurt dit ook door wat we zelf maken?
  • hoe zorgen we voor betaalbare diversiteit en wat betekent dat?
  • hoe krijgen we een intense publiek-private uitwisseling?

De de stad wordt gemaakt door mensen, wisten de Situationisten al. In hun kritiek op het modernisme wandelden ze door steden, keken ernaar met de blik van een kind en verrichtten er speelse ingrepen. Hun projecten bleven evenwel beperkt tot het papier. In diezelfde speelse geest wilde Köhl zelf wel eens de hand aan de ploeg slaan. Zelf voor bouwheer spelen, maar niet alleen: in samenspraak met de toekomstige bewoners. Dit doet denken aan wat Sylvain Debleeckere (em. prof. U Hasselt) en Danny Windmolders schreven in het boek Wonen. Bouwstenen voor een habitologie (Leuven 2015):

Wonen’ is als thema geen eigendom van architecten, ambtenaren of immokantoren. Bezig zijn met wonen impliceert ook en vooral bezig zijn met de mens, individueel en collectief. Het wonen verandert ook voortdurend en is – net als de mens – als het ware altijd “onderweg”. (AR-TUR, Cahier #6, Woonlabo, p. 22)

Het niet perfecte, maar perfect mogelijke leven van een 'Baugruppe’

Köhl werkte voor een grote praktijk (Libeskind), maar vestigde zich zelfstandig. Hij kocht met zijn echtgenote in 2003 een bouwperceel in voormalig Oost-Berlijn. Dit staat in Prenzlauerberg, met zicht op de ellenlange televisietoren en ook niet ver van een kerk die vlakbij de Berlijnse muur had gestaan. De buren gebruikten dit verwilderde leeg perceel als tuin. Het eerste dat de nieuwe eigenaars deden was het perceel zes maand met rust laten: ‘we wilden niet als kolonisten overkomen.’

Het eerste dat de nieuwe eigenaars deden was het perceel, waar de buren op tuinierden, zes maanden met rust laten. We wilden niet als kolonisten overkomen.

Het kantoor besloot een gebouw met 10 wooneenheden op te trekken en stapte naar de bank voor financiering. Daar kreeg het het deksel op de neus. ‘De bank hielp niet. Investeren in Berlijn deed je toen niet’, vertelde Köhl. Toen de Berlijnse muur in 1989 wegviel, bleek Oost-Berlijn nochtans interessant niemandsland waar werd geëxperimenteerd. Je vond er interessante tijdelijke wooningrepen of winkels. Een groot bord ‘Zweifel’ (twijfel) stond bovenop het Palast der Republik (1977-2008), omdat men nog niet wist of men het zou afbreken of niet. Tegen 1000 EUR per m2 kocht je een appartement. Tegen 380 EUR per m2 kochten zij de bouwgrond (vandaag meer dan 4000 EUR).

Het kantoor vond een oplossing in een bestaand model, gangbaar in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Italië: de ‘Baugemeinschaft’ (‘Bauherrengemeinschaft’ of ‘Baugruppe’), een gemeenschap of groep van bouwheren die samen een bouwwerk plannen, bouwen of renoveren. Het is een gemeenschap van burgerlijk recht en kan later veranderd worden in iets anders, bijvoorbeeld een coöperatie of een andere eigenaarsstructuur. ‘Het principe was dat iedereen eerst zijn aandeel in het land moest kopen. Daarna bouw je op elkaar en de rekeningen worden betaald in functie van het aandeel van je eigen flat’, legde Köhl uit.

Köhl deed lang over dit project. Het duurde drie jaar voor het kantoor ‘klanten’ had en het project van start kon gaan. Dat was best beangstigend. Een Baugruppe (bouwgroep of bouwherengroep) laat toe woonwensen reeds in de fase van planning mee te nemen. Dit was cruciaal voor dit project, evenals de vraag wat er met de bewoners zou gebeuren binnen 10-15 jaar. Ze streefden ook naar diversiteit in de invulling, die van de bewoners moest komen:

We keken in de toekomst. Wat de invulling betreft wilden we de flats kunnen verkleinen wanneer de gezinnen verkleinden. We besloten verschillende soorten flats te maken, kleine en grote, en te kijken naar gedeelde ruimte. We hielden ook rekening met het mooie uitzicht, ook op de eerste verdieping. Op de benedenverdieping voorzagen we een winkel, maar omdat niemand erin wilde, betrokken wij het met ons kantoor. Wat de voorgevel betrof, zorgden we voor opendraaiende balkons of tijdelijke openingen, die de stad (die meende dat dit technisch niet kon) goedkeurde. Zo werd dit een communicerend gebouw. Dit vonden we belangrijk. De balkons waren deel van de façade én nuttig. Ze werden conversation pieces.

Köhl geeft een voorbeeld van de coproductie die in dit gebouw mogelijk werd. Eén koppel, kunstenaars, wenste een volledige verdieping als open ruimte. Ze bouwden geen typische badkamer, maar een huis-in-het-huis dat op de verdieping ophangt. Door een vergetelheid - een lift die het toilet naar boven moest brengen, werd het toilet zelfs aan de buitenkant van het gebouw opgehangen. De Baugruppe kreeg gelukkig toelating.

Het is ook mogelijk zelf te gaan bepalen wie er komt wonen. ‘Daar zijn geen regels over,’ legt Köhl uit. ‘We werden daarvoor bekritiseerd: eens het project af is, beland je toch in de gewone eigenaarswetgeving? Maar hoe je het project start en regels maakt, samenleven kan je niet volledig in regels gieten. Stel nu dat je een clusterflat maakt met gemeenschappelijke delen. Als dat voor iemand niet werkt, dan moet die persoon misschien verhuizen. Er is geen raamwerk voor.’

Köhl leerde dat diversiteit in het project brengen niet zo eenvoudig was. Samenwerken in een ‘Baugruppe’ biedt bovendien geen garantie op vriendschap. Als je deelneemt in een Baugruppe, weet je dat je leven niet perfect blijft’, lacht Köhl. ‘Algemeen gesproken zijn mensen realistisch en we vragen dit ook van hen.’

In 1987 plande Berlijn ‘IBA Berlijn’ (Internationale Bauausstellung). De stad plande de reconstructie van gebouwen en wijken. Dankzij IBA werden veel samenlevingsmodellen uitgetest, vertelde Köhl. Vele mensen kenden er de mislukkingen van en zijn vandaag in Berlijn meer realistisch over het potentieel voor conflict. 'Weet dat er conflicten zullen zijn.' Köhl weet dat het ook volledig anders kan lopen. ‘We brengen voldoende flexibiliteit binnen in een project, zodat er altijd een plan B is. Anders is de druk op het samenleven te groot.’

Breng voldoende flexibiliteit binnen in een project. Zorg altijd voor een Plan B. Anders is de druk op het samenleven te groot.

In ieder geval liet dit project het kantoor toe een groot netwerk uit te bouwen van mensen die werken op basis van hetzelfde model. Algemene bouwondernemingen zijn moeilijk voor zulke projecten, liet hij optekenen. Het kantoor gelooft wel in samenwerking met diverse bouwfirma’s.

Bouwblok van acht gebouwen: verdichten is aftrekken

De volgende uitdaging was een volledig bouwblok. De bouwgrond werd in dit geval niet gekocht. Van de geplande acht gebouwen ontwierp Fatkoehl Architecten er twee. In dit gebouw kwamen een winkel, een studio, kantoren, een crèche en een tuin: allemaal invullingen zonder staatssteun, maar wel zelforganisatie, zuiver particulier initiatief, ook de crèche. ‘We leerden al snel dat we zelfs meer konden doen’, aldus Köhl.

Ook hier stelde het kantoor de vraag: hoe de stad leefbaar maken? Door densiteit af te trekken in plaats van toe te voegen, was het antwoord. Zien we het de projectontwikkelaar bij ons ook doen? Van elk gebouw één verdieping aftrekken, zodat ze niet te hoog werden. Op de plaats van bouwgrond kwam er een binnenplein, dat ook nog eens werd opengewerkt naar de straat toe. Omdat die opening nog te smal was, werd rekening gehouden met het ontsluiten van extra ruimte via dakterrassen. De gebouwen van Köhl werden ook nog eens geroteerd, zodat het ene gebouw rekening houdt met de privacy van het andere. ‘We verlaagden net de druk op het project’, zei Köhl. ‘Dit maakt een stad leefbaar en interessant’.

Verdichten is aftrekken. We verlaagden net de druk op het project. Dit maakt een stad meer leefbaar en interessant.

Binnen: inzetten op flexibiliteit. Zelfs voor kleine flats bestaan manieren om ze flexibel te maken, bijvoorbeeld wanden die open- en dichtschuiven. In Zwitserland wordt dit nog veel meer doorgedreven. ‘Het standaardvolume maken we zo laagdrempelig mogelijk. Dit geeft mensen met weinig geld de kans om ook iets te doen.'

Dat verdichten aftrekken is, valt bij ons te lezen in het nieuwste nummer van A+ 265: Dissimilitude, dat op boeiende wijze stadsprojecten in Gent en Luik belicht. In Luik werd aftrekking toegepast voor ‘Huizenblok Firquet’ door atelier AC&T in een verwaarloosde wijk. De architecten kozen er voor goedgekozen afbraak zodat er geen al te stricte scheiding kwam tussen gebouwde en open ruimte (F. Gena, ‘Een gevoelige aanpak’, A+ 265, April/mei 2017, p. 10-12, hier p. 10)

Bouwen met veel collectieve ruimte tegen sterke sociale en duurzaamheidsvoorwaarden: Neue Genossenschaften Spreefeld

Volgens Köhl het meest complexe en interessante project, waar Fatkoehl Architecten de eigen vragen het verst doordreef. Hier waren niet, zoals in het eerste project, ‘tien à twintig eigenaars met hun angsten’, maar slechts één klant: de woningbouwcoöperatie. Het gevolg was interessant voor de doelstellingen.

Het project lag aan een interessante locatie: nabij de rivier de Spree. In Kreuzberg had je zonder enige formaliteit toegang tot die stranden en mensen zaten er te praten bij een biertje. ‘Zulke plaatsen lopen gevaar om te verdwijnen, want projectontwikkelaars willen dit soort dingen niet’, aldus Köhl. Kreuzberg was altijd een zeer geëngageerd stadsdeel. Mensen kwamen meteen in opstand en vroegen geen bebouwing op zestig meter gemeten vanaf de rivier. Het architectenbureau nam dit ernstig. ‘Wij kozen voor het behoud van de toegang naar de rivier en het behoud van die soort informaliteit. Dit is een vraag die elke landeigenaar zich kan stellen.’

Wij kozen voor het behoud van de informele, publieke toegang tot de rivier. Projectontwikkelaars zien dit niet graag, maar het is de vraag die elke landeigenaar zich kan stellen.

De drie deelnemende architectenbureaus kregen boven op de eisen van het lastenboek - CO2-neutraal, voorkeur voor hout, geen grijze energie, passiefhuis-standaard - nog een heleboel andere vragen. ‘Dit was zeer interessant’, zei Köhl. ‘Vragen rond sociale en problematische bewonersmixes, hoe je diversiteit vertaalt in woontypologie, de relaties tussen huizen.’ En dan de hamvraag: kunnen jullie dit bouwen tegen 2000 EUR per m2 alles inbegrepen? Dit bleek het budget. 'We werden nerveus, maar gingen proberen.' Daarna volgde een lang proces van workshops. Het kantoor slaagde erin het project tot bijna net binnen budget tot een goed einde te brengen. Er werd een aantal kostenefficiënte oplossingen bedacht:

  • Elk platform is qua opbouw hetzelfde.
  • Minimum aan draagstructuren
  • Façades uit prefab hout, zoals in passiefbouw in één keer geplaatst.
  • Slechts één traphal en wegens minder voorschriften (brandweer) geplaatst buiten. Deze geeft ook toegang tot het dakterras.
  • Kolommen voor technieken: zo weinig mogelijk, zo veel mogelijk mogelijkheden toelatend. Er goed over nadenken hoe ze de flats bedienen.
  • Besparen op kleur, maar wel zorgen voor esthetisch materiaal voor het net van de balkons.

Voor de invulling van de appartementen kwamen de toekomstige bewoners naar de woningbouwcoöperatie, waar ze een gedetailleerd catalogus typologieën onder ogen kregen. In die fase kwamen de medewerkers en begeleiders eraan te pas. ’Dit was een belangrijk middel om mensen tot de keuze van de juiste afmeting van hun appartement te brengen. Elke coöperant (Genosse) kreeg een vooraf bepaalde tijd hoeveelheid en construeerde zijn persoonlijke ruimte. ‘We veranderden muren, bepaalden waar het toilet kwam. Had je geen geld, dan kon je zelf dingen maken. Er waren ook flats met bijna niks.’ Het kantoor wilde de bewoners diversiteit bieden dankzij structuur van het gebouw. Het leverde een gebouw af waar mensen bepaalde rollen konden overnemen. Hoe konden de drie architectenbureaus elk toch nog een klein beetje anders zijn? ‘We maakten een catalogus van ramen en je kon er wat uit kiezen.’

Sommige bewoners kozen voor ‘clusterappartementen’, waar mensen ruimte delen, zoals eetkamer enkeuken, met daarrond tien kamers. ‘De publieke ruimte, bijgenaamd the street, is wat ze delen: een zeer mooie keuken, een gang die op hun kleine flats uitgeeft, waar ze ook nog kleine badkamers en keukens hebben. En een raam. En een gedeelde kamer voor kinderen. Het was zeer slim hoe die groep dat besliste.’

Het meest interessante: de publieke delen in deze gebouwen zijn ruim bemeten. In elk gebouw zijn de twee benedenverdiepingen niet voor bewoning gereserveerd. De op het plan met blauw aangeduide ruimten kunnen flexibel ingevuld, bijvoorbeeld kantoren of crèches.  Elk huis heeft op het terras een collectieve tuin en er zijn grote balkons voorzien in plaats van privéruimte. De andere collectieve ruimte was de ‘optionele ruimte’. Die mochten de architecten niet zelf afwerken, maar ze moesten ze openhouden en overhandigen aan de coöperatie die besliste wat er zou komen.

De twee benedenverdiepingen verschaffen toegang tot het strand. ‘We deden zo weinig mogelijk bomen weg’, zei Köhl. ‘Zo konden we de stad altijd wat bieden. Je kan door het project lopen en naar het strand gaan, waar je een vuurtje kan maken.’ De andere collectieve ruimte was de ‘optionele ruimte’. Die mochten de architecten zelf niet afwerken, maar deze open houden en ze overhandigen aan de coöperatie die moest beslissen wat dit ging worden.

De coöperatie gebruikte de optionele ruimte voor een bijeenkomst over alternatieve modellen voor stadsontwikkeling. Vandaag is er ruimte om te eten, een professionele zowel als een gewone keuken, ruimte voor beweging en ruimte voor maakwerk en constructie (meubels). ‘Dit vergund te krijgen was lastig’, aldus Köhl. ‘We gaven de ruimte een andere naam. De ruimte wordt gefinancierd door de huurinkomsten van de bewoners. Elke ruimte heeft een curator, en is voor gelijk welk publiek event te gebruiken. Er was geen economische druk om te verhuren, maar wel ruimte om te gebruiken. Gecoproduceerde gebouwen kan je niet die druk geven.’

Voor de optionele ruimte was er geen economische druk om ze te verhuren. Er was wel ruimte om te gebruiken. Gecoproduceerde gebouwen kan je niet die druk geven.

Die Laube, Moritzplatz: de negotiatie rond publieke zelfbouw

Tenslotte deed Köhl aan de zelfbouw van een structuur in park waar reeds stadstuintjes waren. De inspiratie werd gehaald bij de boomhuizen voor IBA van de Berlijnse architect Frei Otto en uit de aanplanting van meibomen.  ‘We bouwden een verticale structuur en zochten mensen om dit te bouwen. Zo kon naast het tuinieren ook wat anders gebeuren in die tuin.’ De structuur liet het architectenbureau toe na te denken over architectuur als een organisch, groeiend iets voor andere doeleinden. ‘Architecten hebben vaak dromen en ideeën, maar deze keer wilden we dit realiseren in zelfrealisatie, drie verdiepingen hoog en publiek.’ Ook de plek waar de structuur zou komen, moest worden genegotieerd.

Langzaam kreeg dit vorm. ‘Er komt altijd wel wat nervositeit bij kijken en de vraag blijft of je het wel kunt’, voegt hij eraan toe. Er kunnen ook problemen rijzen zoals geld vinden. ‘Soms is het geld op en dan vind je weer wat geld. Het project kwam er. Het kwam tot samenwerking met de technische universiteit, met studenten en met vaklui die zwaarder hout bewerken zoals voor daken. Er kwam een feest voor alle medewerkers. ‘Ik ben niet naïef, het gaat er niet om om voortaan zo te bouwen’, zegt Köhl, maar een collectief idee samen ontwikkelen is aantrekkelijk.’

Dit project doet wat denken aan Parckfarm T&T bij ons, een initiatief van Alive Architecten. Het betreft hier een tijdelijke sociale ingreep in het park op de Tour & Tassis-site in Brussel. Medio mei 2017 raakte bekend dat de werking ervan permanent wordt vergund mits een paar kleine aanpassingen. Parckfarm brengt bewoners samen rond een moestuin, een educatieve serre, een kippenren en een broodoven.

En bij ons?

De komst naar België van Florian Köhl inspireerde Architectuurwijzer zo hard, dat het in de tweede helft van 2017 de klemtoon legt op ‘architectuurprojecten die een toonbeeld zijn van collectief bouwen en wonen’. Die zijn in Vlaanderen nog schaars, terwijl de voordelen ervan beantwoorden aan economische en duurzaamheidscriteria. Zoals Ar-Tur en Stadsregio Turnhout dit doen (zie vorige blogpost) wil ook Architectuurwijzer inzetten op sensibilisering van andere manieren van wonen.

Noteer alvast woensdag 11 oktober. Dan organiseert Architectuurwijzer een colloquium over Collectief/Coöperatief Wonen. Dit soort wonen komt tegemoet aan de wens van de overheid aan woonverdichting te doen in kernen. In Vlaanderen bestaan vandaag nog juridische en fiscale obstakels die deze vorm van wonen mogelijk maakt, maar het colloquium neemt het voorbeeld van grote projecten elders onder de loep om ervan te leren.

Sprekers zijn Miroslav Sik uit Zürich, over de woningbouwcoöperatie ‘Mehr als Wohnen’ en Architecte Ninke Happel uit Rotterdam is partner in een architectuurkantoor maar ook oprichter van het Rotterdamse Woongenootschap, dat naar het voorbeeld van de woningbouwcoöperaties in Zwitserland bouw- en woonprojecten wil realiseren in Amsterdam.

op 11 oktober wordt ook collectief bouwproject Bijgaardehof in Sint-Amandsberg (Gent) belicht, uit een wedstrijd van SOGent. Het omvat 57 wooneenheden en een wijkgezondheidscentrum. Meer dan 50 participatieve vergaderingen (!) resulteerden in een masterplan. Het kan hier dus ook. In augustus praat Duwobo met Architectuurwijzer als aanloop naar dit colloquium. We hernemen binnenkort ook nog eens wat Anne Malliet vertelde over woningbouwcoöperaties in Cahier #6 van AR-Tur.