Dieper in zorg, deel 3: De kracht van wijkwerking. 'Zorg dat mensen iets te zeggen hebben over met wie en waar ze wonen. Collectiviteit zonder met elkaar iets te maken te hebben, gaat ook niet.'

Lokale initiatieven hebben kans om te slagen. Dit is sociale innovatie, schrijft Bea Cantillon, in het recent verschenen boek De staat van de welvaartstaat (noot 1). Vandaag hebben politici het veel moeilijker om zelf alle antwoorden te bieden. Ook de bijna tachtigjarige socioloog Luc Huyse ziet ‘uitwegen zijn op het lokale niveau.’ Beleid kan in ‘onderaanneming’ gegeven worden aan gewone burgers, organisaties, verenigingen. Huyse gelooft in wijkwerking en lokale werking, waarin burgers het voortouw nemen, zodat politici uiteindelijk achter hen gaan staan. En hoewel Huyse vroeger ten strijde trok tegen de verzuiling van het middenveld, ziet hij in dat een middenveld de nodige draagkracht levert (noot 2).

Zowel Cantillon als Huyse hebben een punt. Hier liggen enorme kansen verscholen voor de burger om te participeren en hen de weg te wijzen. Er is bovendien vraag naar lokale initiatieven en wijkwerking. Maar dan zijn wel plaatsen nodig waar dit in de praktijk wordt gebracht. Alleen, het is niet de eenvoudigste klus in een samenleving die grotendeels gericht is op individualiteit.

Collectiviteit is geen sterk begrip bij ons. Geen ‘sterk merk’, zouden sommigen zeggen. Moeten wij toch niet kijken hoe wij ‘collectief eigendom’ van onder het stof kunnen halen, iets waar ir.-arch. Pieter Van den Broeck (KU Leuven) over sprak tijdens een interview met Bureau Omgeving? Iets dat terug in het leven kan worden geroepen via wetgeving? Het begrip bestaat anders wel in Groot-Brittannië. De ‘commons’ was bijvoorbeeld een grasveld centraal in een dorp. Bij ons werd er in de negentiende eeuw over gedebatteerd in het parlement, maar het haalde de meerderheid niet en is gewoon verdwenen (noot 3).

Een notie van ‘common’ of ‘collectief goed’ kan initiatieven op het lokale niveau versterken. Het voorbeeld van een wijkgezondheidscentrum, temidden van woontorens gelegen in het groen, waar de demografie sterk veranderde, toont dat er zorgvoordelen kunnen zijn indien de interactie en cohesie tussen bewoners wordt versterkt (misschien is zo’n wijkcentrum zelf al een aardige ‘common’). Hoe realiseren we dit? Door voldoende inspraak en samenspraak, zo blijkt.

Het wijkgezondheidscentrum

Eind 2016 trok het boek More. Eutopia later onze aandacht. Marc Cosyns pende het neer naar aanleiding van de vijfhonderdste verjaardag van het boek Utopia van Thomas More (noot 4). De Engelse hoge administrator More schreef in 1517 enerzijds een aanklacht die vooral gericht was op zijn tijd, maar bedacht tegelijk een volledig nieuwe maatschappij. Die was meer egalitair dan wat wij kennen, maar ook verrassend verzorgend.

Marc Cosyns doceert medische ethiek, deontologie en palliatieve zorg aan de Vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheid (Universiteit Gent). Hij is auteur van verschillende artikels en boeken in zijn vakgebied en breder maatschappelijk. Hij is als huisarts werkzaam in het wijkgezondheidscentrum van de wijk Watersportbaan-Ekkergem te Gent.

Wijkgezondheidscentra brengen eerstelijnszorg (en meer) via een systeem van forfaitinkomsten naar volledige wijken. Gezondheid begint er bij aandacht voor de leef- en woonwereld van wie zorg behoeft. Artsen, verpleegkundigen, kinesitherapeuten en maatschappelijk werkers werken er samen. Met de steun van de overheid, in samenspraak en samenwerking met andere partners richten ze zich op een volledige wijkpopulatie voor zorg, welzijn en de versterking van de sociale cohesie. Gewoonlijk vestigt een arts zich ergens en wacht hij of zij tot de patiënten komen; in een wijkgezondheidscentrum (WGC) zet een multidisciplinair team zelf de stap naar een buurt.

Het eerste wijkgezondheidscentrum van Gent, De Sleep, is vandaag toch al een respectabele veertig jaar oud. Het stelde zich destijds tot doel medische eerstelijnszorg te brengen naar een overwegend Turkse populatie. Vandaag telt Gent 10 wijkgezondheidscentra verdeeld over kerngebieden. Ze zetten ook vrijwilligers in en helpen bij inburgering. De centra plegen overleg en zijn aangesloten bij de Vereniging van Wijkgezondheidscentra (VWGC). Wijkgezondheidscentra zijn vandaag nog niet overal een evidentie.   

Van Cosyns’ boek bleef ons vooral het hoofdstuk ‘Wie wil nog werken?’ bij. Daarin schreef hij: ‘Onze medicus plaatst de patiënt centraal in de tijd, in de wijk, in de zorg. De juiste zorg op de juiste plaats op het juiste moment door de zorgverlener met de juiste kwalificaties. Maar ook de beste zorg als ethische waarde.’ De arts stelt er een andere week- en werkregeling voor: geen onderscheid meer tussen week- en weekenddagen. Over het waarom schrijft hij:

Als we een werkweek van zeven dagen zouden hebben met continue geplande zorg, waar ook mogelijkheden voorzien zijn voor spoedzorg, is het probleem van weekendwacht opgelost en zou ons wijkgezondheidscentrum geen twee dagen leeg staan. De nachten zouden we kunnen verdelen onder de andere artsen van de wijk, met wie we viermaal per jaar samenkomen om wijkgerichte zorg te bespreken. (…) Geen onnodig urgente uitstapjes naar de spoed meer voor de patiënt, geen wachtposten nodig, maar optimale thuiszorg. (noot 5)

Vandaag zijn er nog anderen die de nood aan flexibele werkvormen inzake zorg bepleiten, zoals Leen Schollaert van zorgadviseur Probis. Zij is ook gewonnen voor het idee dat thuisverpleeg-kundigen moeten kunnen doorgroeien naar de rol van wijkverpleegkundigen (noot 6).

Wonen is niet enkel een individu dat beslist intrek te nemen tussen vier muren. Als ik woon, wil dit ook zeggen: er is sociaal contact mee gemoeid.

We polsen Cosyns over de werking van WGC Watersportbaan in de wijk. Hij stemde toe met een interview, precies omdat het wijkgezondheidscentrum gezondheid ruim bekijkt. Het kijkt ook naar wonen en hoe meer collectiviteit kan bijdragen tot gezondheid en welzijn. In de wijk Watersportbaan is dit opportuun, zo blijkt.

De moderne tuinstad

Tot de jaren 1950 waren de Blaarmeersen vooral drassig gebied. Stad Gent ontwikkelde het gebied, eerst door de aanleg van Nationale Watersportbaan Georges Nachez en door de ontwikkeling van sociale woningbouw (1958-1961). Die kregen de vorm van hoge, moderne flatgebouwen omgeven door veel groen voor recreatie. Op het terrein waar vroeger enkel meersen waren, kwamen woontorens. Daarrond is nog een residentiële wijk met vrijstaande woningen (noot 7).

De ontwikkeling van de wijk haalde wellicht inspiratie uit het model van de tuinstad, dat Ebenezer Howard eind negentiende eeuw in de Verenigde Staten bedacht. Een tuinstad was een autonome stad van ca. 32.000 bewoners met een hoge graad aan zelfbestuur en autonomie. Naast recreatie en wonen werd er ook aan industrie en landbouw (zelfvoorziening) gedaan. Bijzonder was dat dit model uitging van intensieve participatie van de bevolking in het bestuur van de tuinstad en zelfs van een hoge graad van bestuurlijke autonomie.

Het model was initieel gezien voor het platteland, maar het beïnvloedde verschillende stedenbouwkundigen in Europa die het toepasten op steden, bijvoorbeeld Londen. Het model kreeg ook in andere Europese landen navolging. In de latere voorbeelden van het tuinstadmodel verdwenen naderhand de participatieve, autarktische, sociale idealen. Het concept liberaliseerde. Zo bleef het enkel over als ontwerpmodel (noot 8).

Ook de wijk Watersportbaan was bedoeld voor arbeiders en een opkomende middenklasse die werd aangetrokken tot modern wonen in het groen. Marc Cosyns wist te vertellen dat in de woontorens de onderste verdiepingen oorspronkelijk gereserveerd waren voor collectieve voorzieningen. ‘De afdeling Sociale Geneeskunde van de Gentse universiteit speelde toen met het idee er een gezondheidscentrum te vestigen.’ Zulke ideeën leefden wel, maar er kwam niets van in huis. De collectieve invulling is er nooit gekomen bij gebrek aan financiële middelen.

WGC Watersportbaan is gegroeid uit een groepspraktijk van drie artsen, waar Marc Cosyns er één van was. De artsen van deze praktijk kwamen naar de wijk toe, hoewel zij er niet woonden. Zij hadden allen echtgenotes die zelf werkten. Het model van de meewerkende echtgenote of praktijk aan huis konden zij niet toepassen. ‘Wij zijn de groepspraktijk bewust hier in deze wijk begonnen, omdat we wisten dat een eerstelijnsgezondheidscentrum voorzien was vanuit Sociale Geneeskunde. We wisten dat hier veel mensen in kansarmoede terechtkwamen.’ De praktijk zat eerst buiten de torens, dan in één ervan, van zodra er iets vrijkwam. Rond 1990 kreeg de groepspraktijk de stad Gent zover om het centrum te verhuizen naar de huidige locatie. In 2010 werd het een WGC.

De demografie van de Watersportbaan-wijk is grondig veranderd. De eerste bewoners, als ze nog leven, zijn diep in de tachtig. Hun kinderen zijn lang het huis uit. Sommige van hen wonen alleen. Of ze worden vervangen door nieuwe bewoners met kinderen, veelal van allochtone afkomst. De gemiddelde leeftijd van de wijk daalt wel, maar sector Neermeersen, waar het WGC is gevestigd, noteert slechter op inkomstenindicatoren dan elders in de stad. Het percentage verhoogde tegemoetkoming, volgens het jaarverslag van het WGC een ruwe indicator voor armoede, is met 54,6% het op één na hoogste van de stad. Van de patiënten van het WGC heeft 36,4% een verhoogde tegemoetkoming, een verdubbeling op minder dan 10 jaar tijd.  Het aantal patiëntencontacten nam op 2 jaar toe met 15%. Er is dus een reële zorgnood in de wijk (noot 9).

Bewoners betrekken bij hun eigen wonen

In de woontorens aan de Watersportbaan wonen mensen samen zonder veel met elkaar te maken te hebben. De collectieve voorzieningen kwamen er niet. Niet elk gebouw heeft een conciërge. Er is binnen de woontorens ook een afstand tussen de bewoners van elk van de vier verschillende sectoren, die elk een aparte toegang hebben. Elk blok heeft zo’n 150-200 inwoners. Als van de sterk verouderde koppels een partner wegvalt, geeft dit vereenzaming. Een groot probleem, zegt Cosyns. Bovendien is het beleid van toewijzing van woningen versnipperd en verzuild over ziekenfondsen en OCMW. Zij wijzen woningen toe aan mensen, en daarmee is de kous af.

Mensen worden net te weinig betrokken.

De woonverandering vindt plaats zonder enige inspraak, geeft Cosyns aan. Mensen die er al wonen, worden niet bevraagd met wie ze willen wonen. Door de gewijzigde demografie krijgt een verouderde bevolking met zorgnoden plots te maken met allochtone bewoners met kinderen. Voor de ene kan het eens zo rustige wonen door spelende kinderen plots een heel ander aspect krijgen. ‘Da’s om problemen vragen’, meent hij. Op het moment van de instroom wordt niet voldoende gedaan. Aan de nieuwe bewoners die er komen, wordt ook niet gevraagd waar en hoe ze willen wonen. Maakt spreken over wonen deel uit van de inburgeringscursussen? Maak elkaars woonwensen expliciet, is zijn suggestie. Op tijd, op voorhand.

Is ons wonen dan een eiland-wonen, schotelen we de arts voor (het utopia van Thomas More was ook een eiland). ‘Er wordt inderdaad onvoldoende over nagedacht dat wonen meer is dan onze intrek nemen tussen vier muren. We vertrekken nog altijd te veel van het individu’, vindt hij. Verrassing: Cosyns kent collectief wonen uit eigen ervaring. Jaren geleden stapte zijn gezin in de wijk Hutsepot in Zwijnaarde in een groepsproject in woonuitbreidingsgebied met een aantal elementen collectief. De woningen waren meteen bedacht op latere opsplitsing en aanpassingen voor ouderdom.

Oorspronkelijk was het de bedoeling een hele wijk collectief wonen te maken, maar uiteindelijk bleven drie gezinnen over. Velen bevragen de gekende woonmodellen wel, maar kiezen dan toch weer voor een individuele oplossing, denkt Cosyns. Ook de drie gezinnen bevragen hun model nog. En toch betrapt de arts er zichzelf op dat nog zoveel mogelijkheden in collectiviteit verscholen liggen, waar hij zelf nog niet eens aan denkt. Dit besefte hij toen een buur hem aansprak om samen eens te kijken naar de haalbaarheid van een laadpaal voor elektrische wagens.

Terug naar de wijk Watersportbaan. Alle woontorens werden op energetisch niveau vernieuwd, maar aan de samenhang tussen de bewoners werd niet gedacht, merkt Cosyns op. ‘Hoe zorg je voor elkaar? Hoe ga je eenzaamheid tegen? Da’s de kern van het verhaal.’ Hij kent als arts zeker krasse voorbeelden van eenzaamheid. ‘Thomas More loste het op door mensen in grote leefgroepen te plaatsen. Bij ons is dit niet mogelijk, maar we kunnen ons toch de vraag stellen hoe we in die afzonderlijke bewoners mensen toch wel bij elkaar brengen, zodat ze door bij elkaar te wonen hoe dan ook met elkaar in contact zijn.’

Bereikt het centrum de wijk, vragen we. ‘Eens mensen de drempel oversteken, bereiken we hen zeker’, antwoordt Cosyns. ‘wij willen zeer graag een sociale mix behouden’. Soms ziet het centrum patiënten wegblijven, omdat er ook patiënten langskomen met psychiatrische problemen of kansarmoede. Daarom werkt het centrum met vaste afspraken. ‘Dat kunnen we goed managen’, zegt de arts. ‘Dat komt misschien ook omdat mensen niet voorbereid waren om hier te komen wonen. Bereid ze voor, dan worden mensen bereid dingen voor elkaar te doen. Daar geloof ik wel in.’ Cosyns ziet het gebrek ook in de vele woonprojecten die vandaag ontwikkeld worden. ‘Ook daar worden de verschillende bewoners er te weinig bij betrokken vanaf in het begin. De vraag naar de woonwensen zou moeten op voorhand gesteld worden, maar dat gebeurt niet. Zo jammer.’

De vraag naar de woonwensen zou moeten op voorhand gesteld worden, maar dat gebeurt niet. Zo jammer.

WGC Watersportbaan ziet meer collectiviteit in de wijk krijgen als één van de opdrachten. Het team brachten de signalen uit de wijk in kaart en bekijkt wat het kan doen. In 2015 richtte het de werkgroep ‘Buren voor Buren’ op, waar iedereen die op één of andere manier met welzijn en gezondheid bezig is, samen komt om acties op touw te zetten. Er is een wijkkrantje en ontmoeting via dagen van de buren, wijkpicknicks, buurtfeesten, een moestuin.

Sociale cohesie: meerwaarde voor thuiszorg en tussenzorgvormen

We raken met Cosyns aan dat de overheid net wil inzetten op een rijker palet aan tussenzorgvormen, zoals thuiszorg en mantelzorg. Zorg gaat natuurlijk nog breder dan ouderenzorg, overigens niet het enige zorgthema in de wijk. Over ouderenzorg gesproken bepleitten Jeroen Trybou (gezondheidseconoom U Gent) en Patrick Laisnez (zorgadviseur Probis) in een column in de krant De Tijd in 2015 ‘de uitbouw van voldoende alternatieven voor senioren met een beperkte nood aan ondersteuning.’ Het rusthuis is misschien een ‘harde zorgkern’, maar volgens hen ‘bestaat het ouderenzorgbeleid immers ook uit andere instrumenten’ (noot 10). Bovendien kijkt de overheid ook naar het terugdringen van onnodige opnametijd in ziekenhuizen, werpen we Cosyns voor.

‘Daar moet je dan wel op voorbereid zijn’, reageert hij. Hij legt uit dat wanneer het team van het centrum intensief op zoek gaat naar mantelzorg voor alleenstaanden, het bijna altijd mensen moet zoeken van buitenaf. ‘Dit gaat om hulp buiten de werkuren’, waarschuwt hij. ‘Om mensen de mogelijkheid te geven hier te blijven wonen. Da’s op dit moment nog altijd een probleem.’ Eigen aan het WZC is dat het een beroep doet op vrijwilligers. Dit zijn geen patiënten en zij wonen meestal niet in de gebouwen zelf, maar wel in de buurt. ‘Dat moeten niet altijd dezelfde mensen blijven’, vindt Cosyns, ‘maar we vinden het wel belangrijk dat ze uit de wijk zelf komen.’

‘Het voordeel aan vrijwilligers is dat ze er ook niet voor altijd zijn. Moet kunnen. Even in de tijd zetten ze zich in en dan verandert het. Dat is er mooi aan. We denken soms te veel het is voor eeuwig en altijd dat we dit doen.’ Cosyns pleit net daarom om niet te wachten met vrijwilligerswerk tot we met pensioen zijn, maar de kans te krijgen het te integreren in onze werkweek. Als hij in zijn boek flexibiliteit bepleit inzake werk, iets wat hem kwalijk genomen wordt, dan bedoelt hij de kans om dit soort van zinvolle, zingevende tijdsbesteding te kunnen integreren.

Cosyns is niet de enige die zinvolle tijdsbesteding bepleit. In een interview met De Standaard dit weekend zegt de Australische filosoof Roman Krznaric (The School of Life) dat dit burn-out kan tegengaan: ‘Over het algemeen denk ik dat mensen die iets zinvols doen, geen burn-out zullen krijgen, hoe hard ze ook werken (…) Het is zinniger om te leven alsof het je laatste tien jaar zijn. Dat laat ruimte voor betekenisvolle projecten’ (noot 11).

'Bedenk eens hoe sterk het zou zijn als je mantelzorgers kunt vinden onder de bewoners', stelt Cosyns. Hier raakt de arts iets aan dat niet voldoende als probleem wordt geïdentificeerd. ‘Een van de grote problemen is: wie vertegenwoordigt de mensen die hier wonen?’ Het WGC werkt wel samen met de verschillende zuilen-woonverstrekkers en met de conciërge die de grootste woontoren wel heeft. Die conciërge kent er gelukkig wel de meeste mensen. Het is goed dat deze partijen bereid om aan tafel te zitten.

Het wijkgezondheidscentrum werkt een matching-systeem uit om bewoners met overeenkomsten of juist complementariteit met elkaar in contact te brengen. Zo zag Cosyns in één blok waar hij veel patiënten heeft een buur die nooit eerder contact had met een andere buur, die andere toch de hand uitreiken, toen hij zag dat die een heup had gebroken. Hier stond een potentiële vrijwilliger op. ‘Als je er mensen gevoelig voor maakt, kan het wel. Mensen worden net te weinig betrokken.’

Gebrek aan inspraak kan ook voor problemen zorgen in goedbedoelde projecten, zoals een appartement in gebruik als tussenzorghuis voor alleenstaande kankerpatiënten die geen beroep kunnen doen op mantelzorg. Het werd gehuurd op een bovenverdieping in één van de torens. Er kwam protest. De ene wilde niet met zieken geconfronteerd worden, de andere protesteerde tegen te veel heen-en-weer-geloop. Het was goedbedoeld, de stad zette door, maar het is ook iets dat beter op voorhand was bevraagd of aangekondigd. ‘Preventief met elkaar bespreken, hoe elkaar bijeenbrengen, als manier om zorgzamer met elkaar om te gaan’, aldus Cosyns.

Vandaag bestudeert het WGC Watersportbaan, dat al eens te klein was en werd uitgebreid, eventueel nieuwe behuizing. Als de nieuwe locatie er komt, is de kans groot dat er collectieve voorzieningen zijn en een woonfunctie. Vroeger zouden de medewerkers er nooit bij hebben stilgestaan, maar vandaag denken ze na over hoe ze elke vierkante meter kunnen benutten, ook tijdens het weekend. En ze denken opnieuw na over hun eigen wonen, in de wijk waar zij werken. En zo komen zij zelf weer tot interactie met nieuwe mensen. 'Deze wijk is wegens het ruim aanwezige groen een aparte wijk', vindt Cosyns. ‘Ze zou een voorbeeldfunctie kunnen vervullen voor hoe je er gezondheid, welzijn en wonen samenbrengt.’

Net het organiseren van het met elkaar spreken is moeilijk, want onbekend terrein. Als we Cosyns vragen waarom dat zo is, dan weet hij enkel dat het moeilijk is om mensen in beweging te zetten. ‘Mensen komen pas aankloppen als er problemen zijn.’ Patiëntenraden, een materie die hij goed kent, zijn ook moeilijk te organiseren.  ‘Constructief meedenken, hoe hier een soort collectief maken, hoe samenwerken, da’s veel moeilijker.’

De arts blijft blijft realistisch optimistisch. ‘Misschien is dit utopisch’, lacht hij. ‘Als mensen op voorhand kunnen zeggen met wie ze willen wonen, maakt dat de dingen er niet eenvoudiger op. Samenwonen is niet eenvoudig. Het is niet altijd geweldig. Er zijn ook moeilijkheden. Maar het wordt zeker nog niet voldoende toegepast. Zo’n aanpak kan vruchten afwerpen voor het samen wonen en samen zorgen voor elkaar. Als je mensen bevraagt en betrekt, krijg je een meerwaarde.’

Ook de eerste bewoners van woonuitbreidingsgebied Hutsepot, waar Cosyns woont, zag dat hun wijk volgebouwd werd zonder dat daar inspraak over was. Dat kan toch anders? Zorg dat mensen inspraak hebben over hun directe woonomgeving en wat er komt, vindt hij. In de Hutsepotwijk ligt een woonzorgcentrum. Vandaag probeert men in Zwijnaarde echt meer verbindingen te leggen met de bewoners ervan. Men kijkt naar aanleunwoningen en men denkt na over dubbel gebruik van infrastructuur. ‘Er moet voldoende verbinding zijn om de contacten met die anderen mogelijk te houden en te stimuleren.’

Zwijnaarde toont dat het kan. Men gaf de lokale verenigingen een plaats in het woonzorgcentrum en bracht er een bibliotheek in onder. De infrastructuur laat toe om aan het schooltje een speelplaats te geven binnen het project van het woonzorggebied, maar het is van belang de bewoners daarover te bevragen.

‘Mensen bevragen is leuk. Het geeft net kansen aan wie eenzaam is om gehoord te worden en hen uit een isolement halen. Als mensen worden voorbereid, zijn ze bereid dingen voor elkaar te doen. Als we zoeken, zijn er allerlei mogelijkheden’, besluit hij. ‘Ik denk ook dat als je dit op voorhand doet, je een groepsgevoel creëert. Zonder groepsgevoel kan je niet werken.’

Mensen bevragen is leuk. Het geeft net kansen aan wie eenzaam is om gehoord te worden en hen uit een isolement te halen. Als mensen worden voorbereid, zijn ze bereid dingen voor elkaar te doen.

Noot van de auteur: dit artikel sluit de reeks Dieper in zorg, over zorg en wonen, af. De geplande bijdrage van Ineke Hulselmans verschijnt apart. Onze volgende bijdrage brengt een voorbeeld uit Berlijn van hoe je inspraak en samenspraak organiseert met bewoners. We belichten de lezing die architect Florian Köhl onlangs gaf in C-Mine in Genk, over het realiseren van gebouwen middels Baugruppen. Een aardige aanvulling wordt dit op dit artikel.

Noten
Noot 1. B. Cantillon, L. Buysse, De staat van de welvaartstaat (Leuven 2016), p. 359-361.
Noot 2. Interview met Luc Huyse, De Tijd, 15 april 2017, p. 8.
Noot 3. A. en F. Van Cauwelaert, ‘ “Waarom eten we de ruimte op?” Dossier Van wie is de stad?’, Mo (Mondiaal Nieuws), 14 september 2016. http://www.mo.be/interview/waarom-eten-we-de-ruimte-op.
Noot 4. M. Cosyns, More. Eutopia later (Antwerpen 2016). www.marccosyns.eu.
Noot 5.  M. Cosyns, More. Eutopia later, p. 94, 99.
Noot 6. L. Schollaert, 'Ook in thuiszorg steeds meer aandacht voor samenwonen en samen zorgen’, http://probis.be/nl/nieuws/ook-thuiszorg-steeds-meer-aandacht-voor-samenwonen-en-samen-zorgen.
Noot 7. https://stad.gent/watersportbaan-ekkergem/over-de-wijk/geschiedenis-van-watersportbaan-ekkergem
Noot 8. J. Kingsma, De magie van het jaren ’30 huis (Nijmegen 2016, derde druk), p. 40-41.
Noot 9. Wijkgezondheidscentrum Watersportbaan vzw, jaarverslag 2016, p. 3-4.
Noot 10. J. Trybou, P. Laisnez, ‘Aangepaste ouderenzorg is meer dan nieuwe voorzieningen bouwen’, De Tijd, 27 mei 2015. http://www.tijd.be/r/t/1/id/9637627
Noot 11. Interview met Roman Krznaric, De Standaard, 20 en 21 mei 2017, p. E7.