Burgerparticipatie (Schepdaal): bewoners bepalen mobiliteit dorpskern

Geraardsbergsestraat in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Geraardsbergsestraat in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Dirk Evenepoel: Schepdaal heeft een positief burgerparticipatietraject achter de rug. We tekenden een betere, meer leefbare dorpskern en rolden een actieplan uit waar het Dilbeekse bestuur mee aan de slag kan.

Schepdaal (5580 inwoners in 2014, Wikipedia) is een deelgemeente van Dilbeek (ca. 42.000 inwoners), zelf westelijk grenzend aan Brussel. Het markplein ligt op 16,8 km van de Brusselse Ninoofsepoort. Het dorp is bekend van onder meer het Trammuseum, café De rare vos (dat in 2018 opnieuw de deuren opent), en Jospop.

Tussen de dorpskern en de gehuchten rondom zit een flink hoogteverschil. De kern ligt op meer dan 90 meter hoogte. Daarop ligt de oude heirbaan tussen Brussel en Geraardsbergen, die de Zennevallei van de Dendervallei scheidt. De gehuchten liggen veel lager, op ongeveer 30 meter. Er is zo maar eventjes 60 meter te overbruggen. De perfecte kuitenbijter voor de wielertoerist, minder evident voor de gewone fietser, al kan de elektrische fiets helpen.

De burgers van Schepdaal ontwikkelden in de afgelopen twee jaar zelf een masterplan voor mobiliteit in de dorpskern. Een stuurgroep van 25 personen en een technisch groepje van 5 personen kauwden dit voor. Na een aftoetsing met de schepen van openbare werken, de schepen van middenstand en de mobiliteitsambtenaar koppelde de stuurgroep de voorstellen terug naar de burgers, die deelnamen aan een volksbevraging. Daaruit kwam een actielijst van 30 punten, waarover een verrassend goede consensus bestond bij de bevolking.

Voor sommige bewoners ging de lijst nog niet ver genoeg. De stuurgroep Dorpskern gaf echter voorkeur aan kleine aanpassingen in het dorp die op de korte termijn en middellange termijn gerealiseerd kunnen worden. Dat ze realistisch zijn, mag blijken uit het feit dat de gemeente ze meteen over nam.  

Een dorpinrichting van 50 jaar oud

De uitdaging van deze dorpskern is op andere Vlaamse dorpskernen van toepassing. ‘De aanblik van Schepdaal is bijna niet veranderd sinds het begin van de jaren 1970. In de laatste 50 jaar is de dorpskern dus dezelfde gebleven’, verklaart Evenepoel. ‘Er is geen sprake van verloedering, wel van een veel hogere bezetting. Van de twee scholen in de kern is de bezetting verdubbeld. De inkerning nam toe. In de plaats van vele woningen kwamen kleine appartementen. De parking aan het oud gemeentehuis is verdwenen.’ Dit had enkele gevolgen: veel zwaarder verkeer, moeilijke doorstroming, wildparkeren, een weinig aantrekkelijke winkelstraat, waar het verkeer in twee richtingen door moet. ‘Op bepaalde pieken tijdens de dag rijdt het verkeer zich vast en er ontstaan gevaarlijke toestanden voor kinderen.'

"Nieuwe bouw gestart in de flessenhalszone" Foto: Schepdaal.be

"Nieuwe bouw gestart in de flessenhalszone" Foto: Schepdaal.be

Schepdaal, dat doorsneden wordt door de N8, heeft nog middenstand, maar toch is er leegloop. Daar liggen wel meer factoren aan de oorsprong van dan wonen alleen, maar de kern aantrekkelijker maken zou misschien wel kunnen helpen om opnieuw meer middenstand aan te trekken. ‘Vergeet niet dat het vaak de lokale middenstand is die lokale evenementen steunt’, zegt Evenepoel, die ook voorzitter is van vzw Schepdaal Leeft.   

De eerste samenkomst was niet bewust gestructureerd. Mensen spuwden hun gal. Een hoop miserie werd op tafel gegooid. Dit moet kunnen. Je moet die chaos toelaten. Dit maakt gewoon deel uit van het proces.’

Start burgertraject

In 2015 nam Dirk Evenepoel de rol van trekker op zich van een stuurgroep voor mobiliteit in de dorpskern van Schepdaal. Zowel burgers als politici spraken hem over mobiliteitsknopen en dit deed hem de handschoen opnemen. Zonder politiek agenda, gewoon een vrij engagement. Gemeenteraadsleden stelden voor er een burgerinitiatief van te maken, maar snel werd dit puur een burgerinitiatief en hielden bewoners met een politiek mandaatzich op de achtergrond. ‘Lang niet slecht dat het vanuit de burger zelf komt’, vindt Dirk. Van alle participatietrajecten wordt 90% vanuit de gemeente zelf geleid. Vaak zijn ze politiek getint en ligt de oppositie op de loer. Hier was dit niet zo. ‘De stuurgroep vond het belangrijk de medeburger te horen.’

Stuurgroep Dorpskern Schepdaal

Er kwam een stuurgroep van 25 inwoners, die de dorpskern kennen en gebruiken en die bereid waren mee te denken. Lokale handel, jeugdbeweging, sportclubs, vertegenwoordigers en geëngageerde mensen van het dorp. De eerste samenkomst was niet bewust gestructureerd. Mensen spuwden hun gal. ‘Een hoop miserie werd op tafel gegooid’, lacht Dirk. ‘Dit moet kunnen. Je moet die chaos toelaten. Dit maakt gewoon deel uit van het proces.’ Er vond nog een tweede vrije sessie plaats en toen was iedereen overtuigd dat er iets moest gebeuren. Toen is een technisch groepje van 5 personen aangesteld met naast Dirk onder meer een ingenieur en twee architecten.

De technische groep boog zich over elk kruispunt en formuleerde per probleem een paar alternatieven. Dit alles werd besproken met de stuurgroep, die de ideeën een eerste keer filterden. Het eindresultaat was de consensus tussen de stuurgroep en de technische groep. Met het resultaat trok de stuurgroep naar de gemeente voor verdere aftoetsing. Zo werd duidelijk wat in welke uitvoeringstijd zou passen: in deze legislatuur (tot 2018), in de meerjarenbegroting (na 2018) en in een uitvoeringsstudie (2020-2022).

De wensen van de burger

De burgers van Schepdaal willen een leefbaar dorp. Leefbaar voor inwoners, scholen, middenstand en verenigingen. Een gemeente waar verschillende vormen van vervoer mogelijk zijn. De hoofdambitie van de stuurgroep was de wensen van de burger oplijsten. ‘We maakten van in begin duidelijk dat we niet meer wilden doen dan dat’, zegt Dirk. ‘We wilden geen studiebureau op de taak. We wilden ook niet duwen. Politici durven wel opdringen. Kijk naar grotere steden zoals Gent. Moedig, maar dat zagen wij niet als onze opdracht hier.’ Dingen opdringen zou voor deze bevolking veel te drastisch zijn en niet gedragen. In Schepdaal willen mensen de middenstand houden en kunnen parkeren. En de kinderen veilig op school krijgen. De middenstand zelf ziet graag korte parkeertijden voor de deur, aldus Evenepoel.  

In Schepdaal werd lang gedebatteerd over het marktplein. Volledig verkeersvrij maken of deels? Ondergrondse parking of zo laten? ‘Mensen willen kunnen parkeren. We zijn tot de consensus gekomen dat recreatie en bijkomend groen bijkomend kan, als het maximaal aantal parkeerplaatsen behouden kan blijven, hier of in de directe omgeving.’

De gemeente Dilbeek had al eens een studiebureau aangesteld om metingen uit te voeren. Daaruit bleek dat in de dorpskern van Schepdaal geen acuut parkeerprobleem is, tenzij op piekmomenten. Op de markt gaat het om ca 60 plaatsen en 140 voor de dorpskern. ‘Dat sluit megalomane projecten uit’, aldus Evenepoel. ‘Een ondergrondse parking bouwen mobiliseert zo’n kern gedurende maanden of jaren en is kostelijk in aanleg en onderhoud. Dat hoeft niet voor een klein dorp.’

Voor sommige bewoners gingen de actiepunten nog niet ver genoeg. De stuurgroep Dorpskern gaf echter voorkeur aan kleine aanpassingen in het dorp die op de korte termijn en middellange termijn gerealiseerd kunnen worden. Dat ze realistisch zijn, mag blijken uit het feit dat de gemeente ze meteen over nam.

Volksbevraging

Met steun van de gemeente werden flyers verspreid en een grote bijeenkomst gehouden. Zo’n 125 mensen tekenden present. Evenepoel gaf een technische presentatie waarin 20 punten werden voorgesteld. Nadien was er anderhalf uur tijd voor een gestructureerd debat rond vier thema’s: het circulatieplan, parking, fietser en voetganger, het marktplein. Mensen vulden een enquête in. Dit kon nog achteraf door wie er niet kon bij zijn.
Evenepoel was eerst wat zenuwachtig. Een feestcomité leiden is nog iets anders dan een verkeerscomité.  ‘Veranderen wekt altijd argwaan op. Mensen kunnen zich afvragen waarom het allemaal moet. Je begint toch in iemands habitat te graven’, zegt hij. ‘Schiet niet op de pianist’ werd één van zijn eerste slides. ‘Er was geen aanleiding toe. Iedereen vond dat we goed hadden gewerkt.’

30 voorstellen

Het resultaat van de volksbevraging werd een lijst van 30 voorstellen, groot en klein door elkaar. De kleine voorstellen kunnen kleine ergernissen oplossen. Een slecht voetpad vernieuwen, een zebrapad verleggen, betere signalisatie in de hoofdstraat voor verschillende functies, een kiss and ride-zone voor de school rond de kerk, een vluchtheuvel op een moeilijk kruispunt. Allerlei ingrepen die zorgen voor een betere doorstroming en meer veiligheid, waar iedereen beter van wordt. De gemeente was er meteen voor gewonnen. Het meest verrassend was de grote eensgezindheid van de bevolking: er tekende zich meteen heel duidelijk af of iets een slecht idee of een goed idee was. '50/50-meningen zagen we bijna niet', aldus Evenepoel. 'Dit liet toe makkelijker conclusies te trekken. Erger is geen consensus in je gemeente. Hoe trek je dan conclusies?'

Eén van de testfases in schepdaal

Eén van de testfases in schepdaal

Drie testfases en een schoolstraat

Er werden 3 testfases ingevoerd die deze herfst worden geëvalueerd. Vandaag is de voornaamste winkel- en doorgangsstraat (Eylenbosch) tussen de markt en de N8 éénrichting. ‘Dat is de ingreep op korte termijn’, preciseert Evenepoel. ‘Op middellange termijn hopen we de straat te verfraaien. Meer groen, beter afgebakende parkeerzones, een autoluwe straat, misschien een asverschuiving. Zodat de middenstand ze aantrekkelijk genoeg vindt om terug te keren.’ Er loopt een test met parkeren in blauwe zone op goed gekozen plaatsen. De middenstand heeft graag kort parkeren voor de deur. Met goed resultaat.

Bijna uniek ook voor Vlaanderen: vanaf september wordt één van de straten waar een school ligt, nochtans een veelgebruikte doorgang naar de N8, afgesloten tijdens de school piekuren. We willen zo gedragsverandering creëren, zegt Evenepoel. ‘Ons rijgedrag aanpassen duurt maximum enkele weken.’

De voorstellen mogen geen dode letter blijven. Evenepoel belde al naar de gemeente over de opvolging van de voorstellen. ‘In het najaar is een nieuwe evaluatie gepland.’

Fietsbrug over het spoor?

Helemaal aan het eind van het 30 punten-programma zaten enkele ambitieuzere voorstellen, waaronder een fietsbrug over het spoor. De oude heirweg Geraardsbergsestraat is tussen de straat en de weg met die naam onderbroken door de spoorlijn 50A Brussel-Oostende. ‘Heel leuk zou hier een fietsbrug zijn die toelaat dat fietsers op de heuvelkam kunnen blijven rijden’, zegt Evenepoel. ‘Eventueel kan dan nog een verbinding worden gemaakt met de nieuw aangelegde de fietssnelweg langs de spoorlijn die eronder ligt, waar fietsers ook comfortabel kunnen rijden. Dit vergt meer investering en ook studie. De gemeente wil de brug zeker in studie nemen en het gesprek aangaan met Infrabel. Er bestond een heel groot draagvlak voor.’

De gemeente Dilbeek heeft nu al een fietsnetwerk, waar de stuurgroep haar voorstellen ook aan koppelt. ‘Voor de fiets moet je wel vanuit de gehuchten redeneren en zelfs vanuit naburige gemeenten’, zegt Evenepoel. ‘In de herinrichting van de Eylenboschstraat moet de fiets zeker een plaats krijgen, maar het zou mooi zijn als we met de fietsbrug een substantiële bijdrage leveren tot een groter fietsnetwerk.’

Trage weg in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Trage weg in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Trage (fiets)wegen

Een ander element dat kan worden ingezet in een ruimer vervoersnetwerk zijn de trage wegen. Ze zijn er toch’, zegt Evenepoel. Een lid van de Schepdaalse Gemeenschapsraad, Raymond Berlanger, bracht ze mooi in beeld. ‘Vandaag zijn ze niet altijd goed onderhouden, maar waarom van sommige geen fietswegen maken door ze een beetje te verharden? Als enkele ervan tot fietsweg opgewaardeerd worden, ontstaan veilige kruisende wegen weg van de straat.’ Zou dat niet bijzonder aantrekkelijk zijn? Zou dat niet kunnen helpen om een mentaliteitswijziging richting zacht vervoer tot stand te brengen?

Het werk in Schepdaal toont dat burgers perfect in staat zijn om zelf het voorontwerp te bezorgen van een masterplan.

Burgers doen voortraject, studiebureau neemt over

Evenepoel formuleert het voorzichtig, maar ziet toch dat gemeenten al te vaak naar een studiebureau grijpen voor de start van een mobiliteitsplan. Dat is een kostelijke zaak. Zulke bureaus staan toch wat verder van wat de gewone burger denkt. ‘Eenvoudige oplossingen zoals het verplaatsen van een zebrapad zullen studiebureaus niet altijd snel voorstellen. Zij willen zich bewijzen, de hoge kost rechtvaardigen ze misschien wat sneller met spectaculaire voorstellen, maar dat is niet altijd de essentie van wat de burger wil. Zij zitten niet in het lokale weefsel.’

Het werk in Schepdaal toont dat burgers perfect in staat zijn om zelf het voorontwerp te bezorgen van een masterplan. In die zin kunnen ze perfect complementair werken met een studiebureau dat nadien de nodige metingen kan doen, de impactstudie, kortom, de uitvoering kan overnemen. Eén ding kan niemand veranderen: het hoogteverschil van 60 meter in Schepdaal, lacht Evenepoel.

Tragewegenwandeling Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Tragewegenwandeling Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Kernversterking - Is hoogbouw een optie? (zomerreeks deel 3): terminologie

Gebruik de juiste terminologie, zegt Johan Van Reeth (BUUR).

Hoogbouw

Een gebouw van meer dan 25 meter hoogte.

Hoger bouwen

Een gebouw met meer dan 150% van de referentiehoogte in de omgeving.

Schaalvergroting

Een gevelbreedte van meer dan 200% van de referentiebreedte in de omgeving = ‘schaalvergroting’. (Wees hier voorzichtig mee)

Kernversterking (zomerreeks deel 2): 7 scenario's om niet te volgen

Kwaliteitsvol hoger bouwen past binnen de Vlaamse ambitieuze klimaat- en milieudoelstellingen (2020, 2030, 2040, 2050). Kwalitatieve hoogbouw is mogelijk, zowel in de stad als, ja, ook in landelijke kernen. Maar dan moeten we de volgende 7 scenario’s zeker niet volgen.

Hoogbouw heeft schaalbreuk nodig.

Hoogbouw heeft schaalbreuk nodig.

1. Neem ruimte in (in je gemeente of stad) zonder enige visie.

Doe aan slimme verdichting.  Maak het huiswerk, doe de nodige berekeningen.
Als je met hoogbouw begint, wil je als overheid hier juist wél een kader of gereedsschapskist voor. Voorbeelden: Gezinsvriendelijke hoogbouw (NL) (‘Bekijk een flat van 100 huishoudens als een dorp’) of ‘Visie op hoger bouwen' voor verschillende plekken.

Er is het gebouw en de directe omgeving. Naast een hogere toren is bijvoorbeeld schaalbreuk heel belangrijk, zegt de Vlaams Bouwmeester. Je wil net laag gaan ernaast (dus net niet alles van dezelfde hoogte want dit geeft net minder zon). Leg de toren niet neer, want dan krijg je minder zon.

Vergeet ook de directe omgeving niet. Houd als openbaar bestuur de touwtjes strak in handen. Stel eisen aan projecten. Vraag minder parkeerplaatsen (zie punt 4), meer groen (zie punt 5). Kijk of er geen multifunctionaliteit mogelijk is die de sociale interactie vergroot (punt 6). En betrek bewoners voldoende bij ambitieuze projecten (punt 7).

Heb je een visie, dan is de kans klein dat er ‘misbruik’ door ‘winstmaximalisatie’ plaatsvindt (een gehoorde angst). Doorloop een systeem van kwaliteitszorg. Dit laat toe de impact van hoogbouw en schaalvergroting in te schatten. Zo is een evenwicht mogelijk tussen erfgoed en geschiedenis enerzijds en evolutie anderzijds.

Niet vergeten: wat raar lijkt vandaag (de orde van architecten nam ervoor ontslag) kan morgen een icoon worden (de Eiffeltoren). ‘Krijg je de kriebels? Even geduld. Het zou mooi kunnen worden’, aldus de Vlaams Bouwmeester

2. Doe alles en overal op precies dezelfde manier.

Je wil zeker niet alles overal op dezelfde manier doen! In de ene kern kan je een bestaand dorp versterken; in de andere kern kan je verkavelingen en gehuchten tot een volwaardige woonkern verbinden, zegt Johan Van Reeth. De Vlaams Bouwmeester zegt dat dorpen altijd ministadjes zijn geweest. Het moet goed zijn. Aanvaard niet alles zomaar van ontwerpers en ontwikkelaars. Bestudeer als overheid alles goed (punt 1). Als het een geruststelling mag zijn: hoogbouw kan niet overal. Maar landelijke hoogbouw niet fout: het wordt toegepast in Nederland en in Scandinavië.

Ramon Kenis en Zeger Debyser waarschuwden voor slechte praktijkvoorbeelden van hoger bouwen, zeker in landelijke kernen. De dorpsenquête (2016) van plattelandsvereniging Landelijke Gilden wijt de terughoudendheid van mensen rond verdichting door middel van meer bouwlagen aan ‘het gebrek aan goede praktijkvoorbeelden.’ Kernversterking, ja, maar wel ‘op maat van het dorp’. Het terrein ligt dus ontzettend open om goede praktijkvoorbeelden toe te voegen aan wat er al is. Voorbeeld: de BMT-site in Boechout.

Gesloten appartementsblokken waar weinig te beleven valt is als vorm van stapelen ‘goed fout’. Bekijk appartementen eerder als gestapelde villa’s.
Berlijn, sociale woningen (Foto Shutterstock)

Berlijn, sociale woningen (Foto Shutterstock)

3. Bouw ‘konijnenkoten’.

Een weinig benijdenswaardige term van de Vlaams Bouwmeester, die meent wat hij zegt. Gesloten appartementsblokken waar weinig te beleven valt. Die vorm van ‘stapelen’ is vandaag ‘goed fout’. Wat willen we dan wel? Gestapeld wonen met een hoge pretfactor. Daar is goed over nagedacht. Het is maar een kleine stap van armtierig wonen naar riant wonen, vindt Leo Van Broeck.

Maak van gezinsvriendelijk bouwen de norm. Deinze zal dit doen met Wonen aan de Leie II. Bekijk appartementen als lage gestapelde villa’s. Je bouwt ‘huizen boven elkaar’ (Mumbai deed dit in de jaren 1930). Je moet er de meeste dingen kunnen doen (bv. een fiets afspuiten).

Denk aan veel ramen, grote terrassen, inventieve oplossingen die een bestaande schil beschermen tegen koude en hitte, bijvoorbeeld serres bouwen tegen de bestaande terrassen, nadenken over circulatie rondom het gebouw, nadenken over de invulling van het dak, nadenken over oververhitting, en over privacy.

Weet wel: ‘in de stad heb je altijd wel ergens inkijk. Daar leven mensen samen.’ Maar ingrepen die de privacy ten goede komen bestaan ook.

4. Volg alleen de logica van ‘koning’ auto.

Neen, volg de logica van voetganger en fiets. Dit gebeurt niet voldoende! De hoogbouwwijken die wij nu al kennen, volgt de logica van de zachte weggebruiker niet. Onze oude hoogbouwwijken hebben een luxeprobleem: ze hebben geen ruimte te weinig, maar net te veel! Alleen is die ruimte is niet goed ingedeeld en op maat van het ‘gemotoriseerd verkeer’ ontworpen.

Bovendien is de benedenverdieping van flatgebouwen vaak niet voor samenkomst of spel ingedeeld. Dus niet kindvriendelijk. Nochtans kan die de perfecte overgang tussen bewoning en buitenruimte maken. Kortom, deze hoogbouw lijdt aan ‘beperkte circulatie’ (laverend tussen parkings en steriele gazons) en aan ‘beperkte beleving’, stelde Francis Vaningelgem van Kind en Samenleving al vast (Kind en Samenleving heeft hier massa's goede ideeën rond) (F. Van Ingelgem, 'Ruimte te veel, een luxeprobleem?', Kind en Ruimte editie 12, December 2016, p. 9-12, hier p. 9). Hij noemde als goede voorbeelden: wijkspeelruimte Bonnevie (Molenbeek) of Luchtbal (Antwerpen). Aan 'kinderen en verdichting' wijden we later nog een apart stukje.

'Koning' auto zal zijn kroon verliezen. Ons wagenpark zal verdwijnen of gedeeld worden. Het zal gewoon minder worden. Tip (Bond Beter Leefmilieu): creëer nu al minder parkeerplaatsen rond gestapeld wonen dan wettelijk nodig, maar zorg ondertussen wel voor voldoende alternatieven (laad- en instapmogelijkheid, goed openbaar vervoer). En gebruik parkeerplaatsen zeker niet als het argument waarom er geen groen kwam.

Gent, Watersportbaan. 

Gent, Watersportbaan. 

Onze oude hoogbouwwijken hebben een luxeprobleem. Ze hebben geen ruimte te weinig, maar net te veel. Gestapeld wonen vraagt een heel ander soort buitenruimte.

5. Waar is het groen? Maak van groen vooral geen harde eis.

Foto Gent Blogt

Foto Gent Blogt

Denk juist heel fel na over omgeving en groen! Omgevingstechnoloog Karen Mulder deed onderzoek naar verschillende nieuwbouwprojecten. ‘Hoe worden de drie functies van de openbare buitenruimte, spelen verblijven en parkeren met elkaar gecombineerd?’ vroeg ze. Wat bleek? Bij vele recente projecten werd groen ‘gewoon niet als harde eis’ ‘meegenomen in het ontwerptraject’. (www.kmot.nl). Worst case: er komt helemaal geen groen! Pas ook op voor steriele pleinen.

Stad Gent, Groene Vallei. Foto: Liesbeth G.V.

Stad Gent, Groene Vallei. Foto: Liesbeth G.V.

Soms wordt groen wel meegenomen in een project. Maar opgepast voor de ‘groene facelift’, zeggen Ramon Kenis en Zeger Debyser: steriel nieuw groen. Boompjes in plantenbakken op straat. Toch maar liever echte bomen?

Gestapeld wonen vraagt een heel andere soort buitenruimte. Vecht voor groen! (Hertogensite Leuven, uit het debat, zie deel 1). ‘Liever hoge bomen dan hoge torens’? Het kan ook worden: ‘Hoge bomen naast hoge torens’. Kijk of bestaand groen of een natuurlijk reliëf kan worden behouden. Nogmaals: gestapeld wonen vraagt om een heel ander soort buitenruimte (zie punt 4).

6. Denk helemaal niet aan multifunctionaliteit.  

Weten we het nog uit de blogartikels 'Dieper in zorg'? De woonblokken van het moderne wonen hadden meestal geen geld meer over om de gemeenschappelijke ruimte op het gelijkvloers in te richten, hoewel die was voorzien (ze wisten misschien niet hoe).

De dorpsenquête (2016) van plattelandsvereniging Landelijke Gilden haalde iets heel belangrijks naar voren dat heel erg wordt onderschat: mensen willen vooral plaatsen voor ontmoeting terugvinden in dorpen! Dit geldt ook voor het ‘dorpsgevoel’ in steden (Denk aan Park Spoor Noord) (zie ook ‘pretfactor’ bij punt 3). Als dat geen schot voor open doel is. Wie neemt dit mee in projecten?

De dorpsenquête van de Landelijke Gilden haalde iets heel belangrijks naar voren dat heel erg wordt onderschat: mensen willen vooral plaatsen voor ontmoeting terugvinden in dorpen. Dit geldt ook voor het ‘dorpsgevoel’ in steden. Wie neemt dit mee in projecten?

Multifunctionaliteit zorgt meteen voor interactie. De Vlaams Bouwmeester geeft een voorbeeld uit Miami: een parking waarin ook wordt gewoond en waar feesten worden gehouden (Dit mag voor zijn part in centrum Brugge). Winkels ’s die ook ’s avonds worden gebruikt. Een gemeentehuis met een functie voor wonen en winkels? Een markthal (Rotterdam) waar je ook kan wonen. Sport op daken, sportterreinen drie hoog gestapeld (in Nederland). Zorgwonen en inclusief wonen in steden (Barcelona), in de nabijheid van kinderen (Zwijnaarde) en omringd door groen.

7 Betrek de burger of omgeving er vooral niet bij.

Voer natuurlijk wel participatief ontwerpend onderzoek. Creëer een draagvlak. Verricht het ‘ontwikkelend onderzoek’ samen met buurtbewoners. In augustus voeren wij een gesprek met Schepdaal Leeft en wat zij zelf deden voor de verkeersstromen in hun lokale kern. De gemeente neemt die voorstellen nu over.

Voor alle duidelijkheid: dit zijn 7 scenario’s die we niet willen volgen (wordt vervolgd).

Koningin Fabiolapark Sint-Niklaas (amelinckx). Foto: Stadsarchief Sint-Niklaas

Koningin Fabiolapark Sint-Niklaas (amelinckx). Foto: Stadsarchief Sint-Niklaas

Kernversterking (zomerreeks deel 1): is hoogbouw een optie?

2050. Slim wonen en leven is een evidentie in Vlaanderen.
2040. Locaties buiten kernen zijn voor projectontwikkelaars niet meer interessant. Bijna iedereen wil in steden en kernen wonen.
2030. Het beleid van diverse overheden stimuleert de duurzame woonwensen, waarin woonmobiliteit en het wonen in kernen onderdelen van zijn.
Bovenstaande zinnen staan in de Startnota Slim wonen en leven van Wonen Vlaanderen, die voor de zomer werd goedgekeurd.

2017. ’Hoogbouw roept in Vlaanderen veel weerstand op.’ Dit staat vandaag in de brochure Recepten voor kernversterking. Hoe leg je als lokaal bestuur de basis voor een klimaatvriendelijke gemeente, van Bond Beter Leefmilieu en de Provincie Vlaams-Brabant (2016), die we aanraden.

We zijn er nog niet!

We bevinden ons nog altijd in een periode van weerstand, want de Vlaming wil nog eerder ‘huisje tuintje boompje’ (... en dit betekent helaas ook autootje). Die woonwens wil de Vlaamse gemeenschap zacht zien bewegen in de richting van meer duurzame woonwensen.

Tijdens de debatavond ‘Kernversterking: is hoogbouw een optie?’ (Leuven, 29 juni) bracht de provincie Vlaams-Brabant vier stemmen te horen. Twee met voorbehoud en twee die dit wat sneller kunnen inschrijven in een methode om te versterken en te verdichten.

Sprekers waren Eric Grietens (Bond Beter Leefmilieu), Ramon Kenis (ingenieur, Leuvens Historisch Genootschap), Johan Van Reeth (BUUR), en Zeger Debyser (arts, Vrienden Abdij van het Park). Er was een slotbeschouwing van de Vlaams Bouwmeester die, zoals altijd, daverde. Verrassend genoeg klonken de vier sprekers genuanceerd en waren er overlappingen. Er is geen zwart-wit.

2017. Wat is hoogbouw voor de Vlaming vandaag? ’De Vlaming denkt instinctmatig aan Amelinckx-hoogbouw of sociale woonblokken’, zegt Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck. Daar is een reden voor: de hoogbouw bij ons is vooral van dit type (foto onder). Het zijn voorbeelden die we volgens hem vooral niet moeten nabootsen.

Elk kind zou dit vanbuiten moeten leren, net als maaltafels: wij bouwen elke dag 6 hectare of 12 voetbalvelden vol. Elke dag. En dat willen we niet langer.

De Vlaamse overheid denkt aan kernversterking, omdat dit goed is voor de planeet en goed voor het milieu. Elk kind zou dit vanbuiten moeten leren, net als maaltafels: we bouwen in Vlaanderen elke dag 6 hectare of 12 voetbalvelden vol. Elke dag. Dit willen we niet langer. Hoger bouwen is één oplossing om te komen tot een kleiner ruimtelijk beslag. Als we het goed doen, slaan we 4 vliegen in één klap, zegt Eric Grietens:

  • We besparen ruimte;
  • We sparen energie; Als we compacter wonen en bouwen, kunnen we de dure energieomslag maken en meer kritische massa genereren voor lokale energievoorziening (lokale centrales);
  • We besparen op materialen;
  • We hebben minder auto’s nodig en krijgen een betere mobiliteit.

Er zijn voordelen aan hoger bouwen, en deze gaf Johan Van Reeth: er is een extra bouwprogramma, een goede plek wordt optimaal benut, je creëert een economische hefboom.

Een gebrek aan langetermijnvisie komen we dagelijks tegen!

In 2017 zijn we er nog niet. Er zijn nog te veel voorbeelden van foute kernversterking en foute (hoog)bouw. De stemmen ‘tegen’ gaven duchtig ‘tegengas’, en wel met reden: ‘een gebrek aan lange termijnvisie komen wij dagelijks tegen!’

  • Moeten we altijd hoog gaan om ruimte efficiënt te gebruiken? Wat met leegstand?
  • Kunnen we industrieterreinen niet beter optoppen? (Haasrode Industrie in plaats van overstromingsgebied in te nemen in de Dijlevallei);
  • Kunnen we rekening houden met waterwegen en reliëf?
  • Met stadspanorama’s, met bestaande natuur, met historische gebouwen?
  • Waar ontbreekt de dialoog?
  • Wanneer wordt hoogbouw ontwrichting, verwringing?
  • Kunnen we steden leefbaar houden wanneer we torens bouwen?
  • Hebben we geen nood aan stadsbouwmeesters?…

Enzovoorts.  

Hoogbouw is niet eenvoudig. Het is een kwestie van de juiste dingen doen. Het is geen kwestie van ‘mooi’ of ‘lelijk’, eerder van ‘goed’ of ‘fout’. Er is foute/goede laagbouw en foute/goede hoogbouw.

Het gaat niet om hoogbouw. Het gaat om hoger bouwen. Hoger bouwen is niet a priori duurzaam. Het moet goed zijn.

Eén stem zei: ‘het gaat om hoger bouwen, niet om hoogbouw.’ 'Hoger bouwen is niet a priori duurzaam. Hoger bouwen moet zeker een hogere maatschappelijke meerwaarde genereren’, sloot Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck af. Het moet goed zijn voor mens én natuur. Dat is een duurzame woonwens. In dat geval mogen we 7 scenario’s zeker niet volgen (wordt vervolgd).

 

Brussel. Foto: skyscrapercity.com

Brussel. Foto: skyscrapercity.com

Kernversterking in behoedzame stappen

Foto genomen te Leuven, 29 juni 2017

Foto genomen te Leuven, 29 juni 2017

We schrijven deze bijdrage kort en los uit de pols, uit noodzaak, want elke dag leren berichten in de krant dat het een belangrijk punt is. Hoe betrek je de burger bij de ambities die Vlaanderen heeft inzake ruimtelijke ordening?

In Merchtem vreest men verstedelijking door nieuw plan, lezen we vandaag. Een openbaar onderzoek voor het ontwerp van een RUP loopt af. De Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening (gecoro) van de Vlaams-Brabantse gemeente ontving 124 bezwaarschriften. Grotere bouwvolumes en grotere bouwlagen maken bewoners ongerust. Vrees en angst, reactie via bezwaarschrift. Dit scenario kan in elke gemeente gebeuren.

De Schepen van Ruimtelijke Ordening antwoordt zoals een schepen die de laatste tendensen inzake ruimte in Vlaanderen kent. In 2016 kwamen deze aan bod in het receptenboek Kernversterking (Bond Beter Leefmilieu en Vlaams-Brabant). Het gaat erom mobieler te worden in ons wonen, minder in de auto te zitten en meer ruimte voor de economische mobiliteit, minder CO2-uitstoot, waar de verdichting van wooneenheden deel van uitmaakt.

Er is angst voor 'verstedelijking' in het centrum van die gemeente. Ook hier antwoordt de schepen correct: 'De grote lijnen van die verstedelijking worden evenwel uitgetekend door de Vlaamse overheid' en 'Als je de open ruimte wil vrijwaren, dan betekent dat ook dat je in de woonkernen hoger moet gaan bouwen. Je kan geen open ruimte vrijwaren én je centrum landelijk houden'. (Wim De Smet, 'Sint-Jansstraat vreest verstedelijking door nieuw plan', in HLN Pajottenland, 6 juli 2017, p.15.)

De behoedzame stappen die nodig zijn lijken ons er minstens drie. Het is nodig de burger vertrouwd te maken met de redenen die Vlaanderen heeft om het bouwen en wonen anders te zien: de demografische evolutie, de verborgen kosten die verspreid bouwen in Vlaanderen nu elke dag heeft. Elke burger, elk schoolkind. Leer hen ook hoe leuk het kan zijn, zoals de Vlaams Bouwmeester altijd graag benadrukt. Het bredere plaatje, de langetermijnvisie.

Vandaag zijn er in Vlaanderen nog steeds stemmen -en ja, hoor, ze zetelen ook in gecoro's- die menen dat het DNA van de Vlaming de vrijstaande villa is met kleine tuin. Dat kan. Het is een DNA dat werd vastgelegd in 1948. Maar anno 2017 leren ze er dan tenminste de kost van kennen. 

Verder ook nodig aandacht te besteden aan woordgebruik.

  • Kernversterking kernversterking te noemen, geen verstedelijking. De versterking in een dorpskern zal er heel anders uitzien dan in een stad. Verstedelijking is misschien enkel een mislukte kernversterking, die nog te veel de auto centraal stelt en te weinig het groen en zacht vervoer. Dit moeten lokale besturen goed bewaken. Denk aan de nieuwe campus van Apple: de 9000 parkeerplaatsen die in 2009 zijn gepland, zijn die nog nuttig vandaag? Promotoren, bouwen jullie voor vandaag of voor morgen? Gemeenten, bewaken jullie dit? Kernversterking heeft een positieve connotatie, het kan een woonkern ook op sociaal en economisch vlak versterken.
  • Zeg niet hoogbouw, wel: hoger bouwen. Dit was een conclusie over het debat dat gehouden werd laatst in het Provinciehuis van Vlaams-Brabant te Leuven, en waar wij in een volgend bericht dieper op ingaan.

Tenslotte is het nodig, en dit is het belangrijkste punt, in elke woonkern, hoe klein ook, dubbel en dik na te denken over nieuwe ingrepen van kernversterking. Hoger bouwen in context bekijken, in de volledige straat of wijk. Niet omdat kernversterking niet kan - het kan een oplossing zijn in de hoogte te gaan en leegstand in te zetten, maar omdat er geen universeel inzetbaar antwoord is op welk type hoger bouwen goed is op een specifieke plek. Dit vergt overleg, dit vergt inzicht, kijken of de plek goed is, de inbreng van specialisten, het vergt kijken weg van de belangen van één enkele partij. Het vergt rekening houden met de omgeving. 

Betekent dit dan de totale verlamming voor één hoger gebouw ergens in een gemeente? Neen, als men ruim de tijd neemt om alle medebewoners goed vertrouwd te maken met het bredere plaatje van duurzaam ruimtegebruik en wonen, de langetermijnvisie, en welke voordelen dit ook voor hen kan opleveren.

Zal dichter op elkaar wonen een aanpassing vergen voor sommigen? Toch wel, ja. Maar het is een horde die Vlaanderen over enkele generaties heen kan nemen, zolang dat bredere plaatje maar duidelijk is. Als onze kinderen al anders denken over het DNA van 1948 en meer mobiel worden in hun wonen, is het Slim wonen en leven misschien goed begonnen.

In de komende tijd zullen we aandacht besteden aan de kleine lijnen, het menselijke aspect van deze thema's: burgerparticipatie, hoe je mensen betrekt bij kernversterking. Welke is de goeie kit of lijm? Waar zijn er succesvolle verhalen op te tekenen en wat is daarvoor nodig? Het werk op het terrein, dus, dat al is begonnen.

Duurzame buurten: coproductie in Berlijn (Fatkoehl Architecten)

Neem de vraag wat met de bewoners kan gebeuren binnen 10-15 jaar mee in een project.

Neem de vraag wat met de bewoners kan gebeuren binnen 10-15 jaar mee in een project.

Wat bezielt de Berlijnse architect Florian Köhl om steden te zien als ecosystemen? De onvermijdelijkheid van verandering, zo blijkt. Alles in onze leefomgeving verandert. Voortdurend. Een stad is vele systemen tegelijk die veranderen en waar de mens zich voortdurend moet aan aanpassen. De ene dag kan je je vrij bewegen, de andere dag staat er een muur. Zelfs ruimtelijke gebieden die niet kunnen veranderen, veranderen toch. Het niemandsland rond de Berlijnse muur bleef over al die jaren geen terrein zonder ingrepen. ‘De ene dag heb je één regel, de volgende dag komen er vluchtelingen aan en moet je weer aanpassen’, zei Köhl in Genk.

Op 27 april organiseerde vzw Architectuurwijzer Stad Limburg - architectuur, landschap en stedenbouw in C-Mine een lezing van deze Berlijnse architect (FatKoehl Architecten). Köhl trad op als architect en projectregisseur van een gebouw waar hij zelf ging wonen en tenslotte zijn kantoor in onder bracht. Dit gebeurde met een Baugruppe of bouwherengroep. Titel van de lezing: Coproducing urban ecosystems. Köhl heeft vijftien jaar eigen architectuurpraktijk. Hij vertelde over drie gebouwen en één interventie in de openbare ruimte, tot stand gekomen via coproductie met bewoners/gebruikers.

Coproductie van stedelijke ecosystemen

Als organisch ecosysteem heeft een stad nood aan coproductie, vindt Köhl. Hij stelt zich vooral deze drie vragen:

  • hoe kunnen we onszelf zover krijgen (emanciperen) om deel te worden van die stad? Volstaat het om onze mening te geven? Of gebeurt dit ook door wat we zelf maken?
  • hoe zorgen we voor betaalbare diversiteit en wat betekent dat?
  • hoe krijgen we een intense publiek-private uitwisseling?

De de stad wordt gemaakt door mensen, wisten de Situationisten al. In hun kritiek op het modernisme wandelden ze door steden, keken ernaar met de blik van een kind en verrichtten er speelse ingrepen. Hun projecten bleven evenwel beperkt tot het papier. In diezelfde speelse geest wilde Köhl zelf wel eens de hand aan de ploeg slaan. Zelf voor bouwheer spelen, maar niet alleen: in samenspraak met de toekomstige bewoners. Dit doet denken aan wat Sylvain Debleeckere (em. prof. U Hasselt) en Danny Windmolders schreven in het boek Wonen. Bouwstenen voor een habitologie (Leuven 2015):

Wonen’ is als thema geen eigendom van architecten, ambtenaren of immokantoren. Bezig zijn met wonen impliceert ook en vooral bezig zijn met de mens, individueel en collectief. Het wonen verandert ook voortdurend en is – net als de mens – als het ware altijd “onderweg”. (AR-TUR, Cahier #6, Woonlabo, p. 22)

Het niet perfecte, maar perfect mogelijke leven van een 'Baugruppe’

Köhl werkte voor een grote praktijk (Libeskind), maar vestigde zich zelfstandig. Hij kocht met zijn echtgenote in 2003 een bouwperceel in voormalig Oost-Berlijn. Dit staat in Prenzlauerberg, met zicht op de ellenlange televisietoren en ook niet ver van een kerk die vlakbij de Berlijnse muur had gestaan. De buren gebruikten dit verwilderde leeg perceel als tuin. Het eerste dat de nieuwe eigenaars deden was het perceel zes maand met rust laten: ‘we wilden niet als kolonisten overkomen.’

Het eerste dat de nieuwe eigenaars deden was het perceel, waar de buren op tuinierden, zes maanden met rust laten. We wilden niet als kolonisten overkomen.

Het kantoor besloot een gebouw met 10 wooneenheden op te trekken en stapte naar de bank voor financiering. Daar kreeg het het deksel op de neus. ‘De bank hielp niet. Investeren in Berlijn deed je toen niet’, vertelde Köhl. Toen de Berlijnse muur in 1989 wegviel, bleek Oost-Berlijn nochtans interessant niemandsland waar werd geëxperimenteerd. Je vond er interessante tijdelijke wooningrepen of winkels. Een groot bord ‘Zweifel’ (twijfel) stond bovenop het Palast der Republik (1977-2008), omdat men nog niet wist of men het zou afbreken of niet. Tegen 1000 EUR per m2 kocht je een appartement. Tegen 380 EUR per m2 kochten zij de bouwgrond (vandaag meer dan 4000 EUR).

Het kantoor vond een oplossing in een bestaand model, gangbaar in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Italië: de ‘Baugemeinschaft’ (‘Bauherrengemeinschaft’ of ‘Baugruppe’), een gemeenschap of groep van bouwheren die samen een bouwwerk plannen, bouwen of renoveren. Het is een gemeenschap van burgerlijk recht en kan later veranderd worden in iets anders, bijvoorbeeld een coöperatie of een andere eigenaarsstructuur. ‘Het principe was dat iedereen eerst zijn aandeel in het land moest kopen. Daarna bouw je op elkaar en de rekeningen worden betaald in functie van het aandeel van je eigen flat’, legde Köhl uit.

Köhl deed lang over dit project. Het duurde drie jaar voor het kantoor ‘klanten’ had en het project van start kon gaan. Dat was best beangstigend. Een Baugruppe (bouwgroep of bouwherengroep) laat toe woonwensen reeds in de fase van planning mee te nemen. Dit was cruciaal voor dit project, evenals de vraag wat er met de bewoners zou gebeuren binnen 10-15 jaar. Ze streefden ook naar diversiteit in de invulling, die van de bewoners moest komen:

We keken in de toekomst. Wat de invulling betreft wilden we de flats kunnen verkleinen wanneer de gezinnen verkleinden. We besloten verschillende soorten flats te maken, kleine en grote, en te kijken naar gedeelde ruimte. We hielden ook rekening met het mooie uitzicht, ook op de eerste verdieping. Op de benedenverdieping voorzagen we een winkel, maar omdat niemand erin wilde, betrokken wij het met ons kantoor. Wat de voorgevel betrof, zorgden we voor opendraaiende balkons of tijdelijke openingen, die de stad (die meende dat dit technisch niet kon) goedkeurde. Zo werd dit een communicerend gebouw. Dit vonden we belangrijk. De balkons waren deel van de façade én nuttig. Ze werden conversation pieces.

Köhl geeft een voorbeeld van de coproductie die in dit gebouw mogelijk werd. Eén koppel, kunstenaars, wenste een volledige verdieping als open ruimte. Ze bouwden geen typische badkamer, maar een huis-in-het-huis dat op de verdieping ophangt. Door een vergetelheid - een lift die het toilet naar boven moest brengen, werd het toilet zelfs aan de buitenkant van het gebouw opgehangen. De Baugruppe kreeg gelukkig toelating.

Het is ook mogelijk zelf te gaan bepalen wie er komt wonen. ‘Daar zijn geen regels over,’ legt Köhl uit. ‘We werden daarvoor bekritiseerd: eens het project af is, beland je toch in de gewone eigenaarswetgeving? Maar hoe je het project start en regels maakt, samenleven kan je niet volledig in regels gieten. Stel nu dat je een clusterflat maakt met gemeenschappelijke delen. Als dat voor iemand niet werkt, dan moet die persoon misschien verhuizen. Er is geen raamwerk voor.’

Köhl leerde dat diversiteit in het project brengen niet zo eenvoudig was. Samenwerken in een ‘Baugruppe’ biedt bovendien geen garantie op vriendschap. Als je deelneemt in een Baugruppe, weet je dat je leven niet perfect blijft’, lacht Köhl. ‘Algemeen gesproken zijn mensen realistisch en we vragen dit ook van hen.’

In 1987 plande Berlijn ‘IBA Berlijn’ (Internationale Bauausstellung). De stad plande de reconstructie van gebouwen en wijken. Dankzij IBA werden veel samenlevingsmodellen uitgetest, vertelde Köhl. Vele mensen kenden er de mislukkingen van en zijn vandaag in Berlijn meer realistisch over het potentieel voor conflict. 'Weet dat er conflicten zullen zijn.' Köhl weet dat het ook volledig anders kan lopen. ‘We brengen voldoende flexibiliteit binnen in een project, zodat er altijd een plan B is. Anders is de druk op het samenleven te groot.’

Breng voldoende flexibiliteit binnen in een project. Zorg altijd voor een Plan B. Anders is de druk op het samenleven te groot.

In ieder geval liet dit project het kantoor toe een groot netwerk uit te bouwen van mensen die werken op basis van hetzelfde model. Algemene bouwondernemingen zijn moeilijk voor zulke projecten, liet hij optekenen. Het kantoor gelooft wel in samenwerking met diverse bouwfirma’s.

Bouwblok van acht gebouwen: verdichten is aftrekken

De volgende uitdaging was een volledig bouwblok. De bouwgrond werd in dit geval niet gekocht. Van de geplande acht gebouwen ontwierp Fatkoehl Architecten er twee. In dit gebouw kwamen een winkel, een studio, kantoren, een crèche en een tuin: allemaal invullingen zonder staatssteun, maar wel zelforganisatie, zuiver particulier initiatief, ook de crèche. ‘We leerden al snel dat we zelfs meer konden doen’, aldus Köhl.

Ook hier stelde het kantoor de vraag: hoe de stad leefbaar maken? Door densiteit af te trekken in plaats van toe te voegen, was het antwoord. Zien we het de projectontwikkelaar bij ons ook doen? Van elk gebouw één verdieping aftrekken, zodat ze niet te hoog werden. Op de plaats van bouwgrond kwam er een binnenplein, dat ook nog eens werd opengewerkt naar de straat toe. Omdat die opening nog te smal was, werd rekening gehouden met het ontsluiten van extra ruimte via dakterrassen. De gebouwen van Köhl werden ook nog eens geroteerd, zodat het ene gebouw rekening houdt met de privacy van het andere. ‘We verlaagden net de druk op het project’, zei Köhl. ‘Dit maakt een stad leefbaar en interessant’.

Verdichten is aftrekken. We verlaagden net de druk op het project. Dit maakt een stad meer leefbaar en interessant.

Binnen: inzetten op flexibiliteit. Zelfs voor kleine flats bestaan manieren om ze flexibel te maken, bijvoorbeeld wanden die open- en dichtschuiven. In Zwitserland wordt dit nog veel meer doorgedreven. ‘Het standaardvolume maken we zo laagdrempelig mogelijk. Dit geeft mensen met weinig geld de kans om ook iets te doen.'

Dat verdichten aftrekken is, valt bij ons te lezen in het nieuwste nummer van A+ 265: Dissimilitude, dat op boeiende wijze stadsprojecten in Gent en Luik belicht. In Luik werd aftrekking toegepast voor ‘Huizenblok Firquet’ door atelier AC&T in een verwaarloosde wijk. De architecten kozen er voor goedgekozen afbraak zodat er geen al te stricte scheiding kwam tussen gebouwde en open ruimte (F. Gena, ‘Een gevoelige aanpak’, A+ 265, April/mei 2017, p. 10-12, hier p. 10)

Bouwen met veel collectieve ruimte tegen sterke sociale en duurzaamheidsvoorwaarden: Neue Genossenschaften Spreefeld

Volgens Köhl het meest complexe en interessante project, waar Fatkoehl Architecten de eigen vragen het verst doordreef. Hier waren niet, zoals in het eerste project, ‘tien à twintig eigenaars met hun angsten’, maar slechts één klant: de woningbouwcoöperatie. Het gevolg was interessant voor de doelstellingen.

Het project lag aan een interessante locatie: nabij de rivier de Spree. In Kreuzberg had je zonder enige formaliteit toegang tot die stranden en mensen zaten er te praten bij een biertje. ‘Zulke plaatsen lopen gevaar om te verdwijnen, want projectontwikkelaars willen dit soort dingen niet’, aldus Köhl. Kreuzberg was altijd een zeer geëngageerd stadsdeel. Mensen kwamen meteen in opstand en vroegen geen bebouwing op zestig meter gemeten vanaf de rivier. Het architectenbureau nam dit ernstig. ‘Wij kozen voor het behoud van de toegang naar de rivier en het behoud van die soort informaliteit. Dit is een vraag die elke landeigenaar zich kan stellen.’

Wij kozen voor het behoud van de informele, publieke toegang tot de rivier. Projectontwikkelaars zien dit niet graag, maar het is de vraag die elke landeigenaar zich kan stellen.

De drie deelnemende architectenbureaus kregen boven op de eisen van het lastenboek - CO2-neutraal, voorkeur voor hout, geen grijze energie, passiefhuis-standaard - nog een heleboel andere vragen. ‘Dit was zeer interessant’, zei Köhl. ‘Vragen rond sociale en problematische bewonersmixes, hoe je diversiteit vertaalt in woontypologie, de relaties tussen huizen.’ En dan de hamvraag: kunnen jullie dit bouwen tegen 2000 EUR per m2 alles inbegrepen? Dit bleek het budget. 'We werden nerveus, maar gingen proberen.' Daarna volgde een lang proces van workshops. Het kantoor slaagde erin het project tot bijna net binnen budget tot een goed einde te brengen. Er werd een aantal kostenefficiënte oplossingen bedacht:

  • Elk platform is qua opbouw hetzelfde.
  • Minimum aan draagstructuren
  • Façades uit prefab hout, zoals in passiefbouw in één keer geplaatst.
  • Slechts één traphal en wegens minder voorschriften (brandweer) geplaatst buiten. Deze geeft ook toegang tot het dakterras.
  • Kolommen voor technieken: zo weinig mogelijk, zo veel mogelijk mogelijkheden toelatend. Er goed over nadenken hoe ze de flats bedienen.
  • Besparen op kleur, maar wel zorgen voor esthetisch materiaal voor het net van de balkons.

Voor de invulling van de appartementen kwamen de toekomstige bewoners naar de woningbouwcoöperatie, waar ze een gedetailleerd catalogus typologieën onder ogen kregen. In die fase kwamen de medewerkers en begeleiders eraan te pas. ’Dit was een belangrijk middel om mensen tot de keuze van de juiste afmeting van hun appartement te brengen. Elke coöperant (Genosse) kreeg een vooraf bepaalde tijd hoeveelheid en construeerde zijn persoonlijke ruimte. ‘We veranderden muren, bepaalden waar het toilet kwam. Had je geen geld, dan kon je zelf dingen maken. Er waren ook flats met bijna niks.’ Het kantoor wilde de bewoners diversiteit bieden dankzij structuur van het gebouw. Het leverde een gebouw af waar mensen bepaalde rollen konden overnemen. Hoe konden de drie architectenbureaus elk toch nog een klein beetje anders zijn? ‘We maakten een catalogus van ramen en je kon er wat uit kiezen.’

Sommige bewoners kozen voor ‘clusterappartementen’, waar mensen ruimte delen, zoals eetkamer enkeuken, met daarrond tien kamers. ‘De publieke ruimte, bijgenaamd the street, is wat ze delen: een zeer mooie keuken, een gang die op hun kleine flats uitgeeft, waar ze ook nog kleine badkamers en keukens hebben. En een raam. En een gedeelde kamer voor kinderen. Het was zeer slim hoe die groep dat besliste.’

Het meest interessante: de publieke delen in deze gebouwen zijn ruim bemeten. In elk gebouw zijn de twee benedenverdiepingen niet voor bewoning gereserveerd. De op het plan met blauw aangeduide ruimten kunnen flexibel ingevuld, bijvoorbeeld kantoren of crèches.  Elk huis heeft op het terras een collectieve tuin en er zijn grote balkons voorzien in plaats van privéruimte. De andere collectieve ruimte was de ‘optionele ruimte’. Die mochten de architecten niet zelf afwerken, maar ze moesten ze openhouden en overhandigen aan de coöperatie die besliste wat er zou komen.

De twee benedenverdiepingen verschaffen toegang tot het strand. ‘We deden zo weinig mogelijk bomen weg’, zei Köhl. ‘Zo konden we de stad altijd wat bieden. Je kan door het project lopen en naar het strand gaan, waar je een vuurtje kan maken.’ De andere collectieve ruimte was de ‘optionele ruimte’. Die mochten de architecten zelf niet afwerken, maar deze open houden en ze overhandigen aan de coöperatie die moest beslissen wat dit ging worden.

De coöperatie gebruikte de optionele ruimte voor een bijeenkomst over alternatieve modellen voor stadsontwikkeling. Vandaag is er ruimte om te eten, een professionele zowel als een gewone keuken, ruimte voor beweging en ruimte voor maakwerk en constructie (meubels). ‘Dit vergund te krijgen was lastig’, aldus Köhl. ‘We gaven de ruimte een andere naam. De ruimte wordt gefinancierd door de huurinkomsten van de bewoners. Elke ruimte heeft een curator, en is voor gelijk welk publiek event te gebruiken. Er was geen economische druk om te verhuren, maar wel ruimte om te gebruiken. Gecoproduceerde gebouwen kan je niet die druk geven.’

Voor de optionele ruimte was er geen economische druk om ze te verhuren. Er was wel ruimte om te gebruiken. Gecoproduceerde gebouwen kan je niet die druk geven.

Die Laube, Moritzplatz: de negotiatie rond publieke zelfbouw

Tenslotte deed Köhl aan de zelfbouw van een structuur in park waar reeds stadstuintjes waren. De inspiratie werd gehaald bij de boomhuizen voor IBA van de Berlijnse architect Frei Otto en uit de aanplanting van meibomen.  ‘We bouwden een verticale structuur en zochten mensen om dit te bouwen. Zo kon naast het tuinieren ook wat anders gebeuren in die tuin.’ De structuur liet het architectenbureau toe na te denken over architectuur als een organisch, groeiend iets voor andere doeleinden. ‘Architecten hebben vaak dromen en ideeën, maar deze keer wilden we dit realiseren in zelfrealisatie, drie verdiepingen hoog en publiek.’ Ook de plek waar de structuur zou komen, moest worden genegotieerd.

Langzaam kreeg dit vorm. ‘Er komt altijd wel wat nervositeit bij kijken en de vraag blijft of je het wel kunt’, voegt hij eraan toe. Er kunnen ook problemen rijzen zoals geld vinden. ‘Soms is het geld op en dan vind je weer wat geld. Het project kwam er. Het kwam tot samenwerking met de technische universiteit, met studenten en met vaklui die zwaarder hout bewerken zoals voor daken. Er kwam een feest voor alle medewerkers. ‘Ik ben niet naïef, het gaat er niet om om voortaan zo te bouwen’, zegt Köhl, maar een collectief idee samen ontwikkelen is aantrekkelijk.’

Dit project doet wat denken aan Parckfarm T&T bij ons, een initiatief van Alive Architecten. Het betreft hier een tijdelijke sociale ingreep in het park op de Tour & Tassis-site in Brussel. Medio mei 2017 raakte bekend dat de werking ervan permanent wordt vergund mits een paar kleine aanpassingen. Parckfarm brengt bewoners samen rond een moestuin, een educatieve serre, een kippenren en een broodoven.

En bij ons?

De komst naar België van Florian Köhl inspireerde Architectuurwijzer zo hard, dat het in de tweede helft van 2017 de klemtoon legt op ‘architectuurprojecten die een toonbeeld zijn van collectief bouwen en wonen’. Die zijn in Vlaanderen nog schaars, terwijl de voordelen ervan beantwoorden aan economische en duurzaamheidscriteria. Zoals Ar-Tur en Stadsregio Turnhout dit doen (zie vorige blogpost) wil ook Architectuurwijzer inzetten op sensibilisering van andere manieren van wonen.

Noteer alvast woensdag 11 oktober. Dan organiseert Architectuurwijzer een colloquium over Collectief/Coöperatief Wonen. Dit soort wonen komt tegemoet aan de wens van de overheid aan woonverdichting te doen in kernen. In Vlaanderen bestaan vandaag nog juridische en fiscale obstakels die deze vorm van wonen mogelijk maakt, maar het colloquium neemt het voorbeeld van grote projecten elders onder de loep om ervan te leren.

Sprekers zijn Miroslav Sik uit Zürich, over de woningbouwcoöperatie ‘Mehr als Wohnen’ en Architecte Ninke Happel uit Rotterdam is partner in een architectuurkantoor maar ook oprichter van het Rotterdamse Woongenootschap, dat naar het voorbeeld van de woningbouwcoöperaties in Zwitserland bouw- en woonprojecten wil realiseren in Amsterdam.

op 11 oktober wordt ook collectief bouwproject Bijgaardehof in Sint-Amandsberg (Gent) belicht, uit een wedstrijd van SOGent. Het omvat 57 wooneenheden en een wijkgezondheidscentrum. Meer dan 50 participatieve vergaderingen (!) resulteerden in een masterplan. Het kan hier dus ook. In augustus praat Duwobo met Architectuurwijzer als aanloop naar dit colloquium. We hernemen binnenkort ook nog eens wat Anne Malliet vertelde over woningbouwcoöperaties in Cahier #6 van AR-Tur.

Duurzame buurten (inleiding): het belang van burgerparticipatie

Een wijk voor één dag, Beerse (Bron: www.verkavelingsverhalen.be)

Een wijk voor één dag, Beerse (Bron: www.verkavelingsverhalen.be)

In 2050 beantwoorden alle woon- en leefomgevingen in Vlaanderen aan duurzaamheidsprincipes. Dat is een grote ambitie, geformuleerd in de startnota ‘Slim wonen en leven’. Tegen 2020 (binnen 2,5 jaar al) zullen de instrumenten die vandaag bestaan om woonomgevingen te verduurzamen, zoals duurzaamheidsmeter Wijken of Lerend Netwerk Duurzame Wijken opgeschaald zijn naar een systematiek. En die systematiek reikt zowel lokale overheden als burgerinitiatieven de instrumenten aan om in dit traject te kunnen stappen. De volgende 2,5 jaar wordt belangrijk.

‘We kijken te weinig vooruit’, waarschuwt de recent overleden socioloog Zygmunt Bauman in Retrotopia, zijn laatste boek. Om niet te vervallen in de door hem beschreven ‘retrotopieën’ moeten we écht vooruitkijken. Eén Europees burger op zes woont ongezond, claimt de studie Healthy Homes Barometer 2017 (gepubliceerd op 31 mei). Voor België is dit één op de acht (noot 1). Werk genoeg dus. De woonbarrière is tegelijk groot. Huren wordt duurder en woningen kopen is voor 80% van de huurders een hoge drempel. Er zijn kleine oplossingen, zoals de ‘hamsterhuurwoning’ van een bouwfirma uit Sint-Truiden, dat de goedkeuring heeft van het Vlaams huurdersplatform (noot 2). Maar we hebben ook nood aan projecten die echt het verschil maken.

Bouwen vraagt ook altijd tijd (vraag maar aan de federaal minister van Justitie die nieuwe gebouwen voor detentie probeert te bouwen). In deze reeks willen we kijken naar duurzame woonwensen en hoe deze via participatieve processen te realiseren. Uit onze vorige blogpost leerden we hoe belangrijk het is om bewoners te betrekken bij hun wonen. Vraag bewoners naar hun woonwensen en bouw niet zomaar wat. Kijk of het project goed is voor de omgeving, de buurt. Participatieve burgertrajecten rond bouwen en wonen zijn nog niet ingeburgerd. Anders zouden u en ik onmiddellijk ‘ja’ antwoorden op de vraag of we hetzij weet hebben van zo’n project, hetzij er zelf al aan eentje deelnamen.

Participatieve burgertrajecten rond bouwen en wonen zijn nog niet ingeburgerd. Anders zouden u en ik onmiddellijk ‘ja’ antwoorden op de vraag of we er zelf aan eentje deelnamen.

Voor mobiliteit zien we het al vaker. In Schepdaal (Dilbeek) bijvoorbeeld wachtten burgers de eventuele plannen van hun gemeente voor de dorpskern niet af, maar startten ze zelf met een burgerinitiatief rond de inrichting van de wijk. De respons was groot. Andere gemeenten klopten intussen bij ons aan voor tips, meldde Dirk Evenepoel van het kerncomité en Schepdaal Leeft vzw.  Van iets kleinschaligs en lokaals groeide dit uit tot een plan dat werd goedgekeurd op het schepencollege (noot 3).

Soms zijn bewoners met klem vragende partij voor inspraak. Dit is het geval rond de Brusselse nieuwe metrolijn 3 (van het Noordstation naar Bordet) die het Brussels gewest bouwt tegen 2025. Zich verenigde collectieven willen dat de metrostations bovengronds goed worden geïntegreerd in de stad. ‘Gun bewoners inspraak over bovengrondse metrostations Noord’, schrijven ze. En ook: ’Informatievergaderingen organiseren voor inwoners en belanghebbenden volstaat niet’. Wat telt is een ‘echt burgerparticipatieproces’ (noot 4).

Stadsregio Turnhout

In Vlaanderen gebeurt wel al wat inzake participatie rond wonen en bouwen. Stadsregio Turnhout en AR-TUR deden vanaf 2014 tot vandaag, maar vooral in 2015-2016, een paar interessante dingen, mooi opgelijst in Cahier #6 WoonLabo - verslaggeving van activiteiten 2015-2016 (inleiding: Edith Wouters en Evelien Pieters). Dit deden ze niet alleen, maar met partners: Wonen Vlaanderen, Kamp C, U Antwerpen, U Hasselt, Provincie Antwerpen. We lijsten even op wat ze deden en met welke partners:

  • Start in 2014 van WoonLabo, ‘om het denken over wonen in de toekomst verder aan te jagen’, in samenwerking met de partners. Stadsregio Turnhout zet dit verder als beleidsonderdeel.
  • Tentoonstelling ‘Dichter wonen, ruimer leven’: het resultaat van ontwerpend onderzoek door studenten van U Antwerpen op de verdichting van verkavelingen in Turnhout. Verdichting betekende ook een meerwaarde geven aan projecten door te streven naar collectieve winsten (voor alle bewoners samen).
  • Nieuwe wijk voor één dag (2015): studenten van U Hasselt werkten vier alternatieven uit voor de klasseieke verkavelingswijk. Eén van de scenario’s werd met bamboestokken op ware grootte uitgezet.
  • Mijn Wijk (2016): burgerparticipatie in de praktijk gebracht. Hier organiseerde WoonLabo workshops voor de bewoners samen met professionelen rond verdichtingsscenario’s in hun woonwijk in Oud-Turnhout. Ook hier werd één van de mogelijke scenario’s ruimtelijk uitgezet in de wijk.
  • Verkavelingsverhalen: een los collectief ontstaan aan U Hasselt van architecten en onderzoekers rond de verkaveling en de toekomst ervan. Dit resulteerde in een tentoonstelling, een debat én het boek Verkavelingsverhalen (Mechelen 2016).
  • Lezingen ‘Bouwstenen voor een nieuwe wooncultuur’, in samenwerking met Kamp C.
  • geWOONtebreker (2017): gestart in Beerse, maar wordt door Provincie Antwerpen uitgerold naar de hele provincie. Steun aan participatieve trajecten die verandering brengen in onze doorsnee woonmentaliteit.
  • Kempenatlas (2017), een boek met kaarten en verhalen dat de ruimte van de Kempen in kaart brengt. Hier vloeit het Kempenlab uit voort: een plaats om te spreken over de ruimte en de bebouwde omgeving en met zulke thema’s te experimenteren. De atlas wordt in september 2017 voorgesteld.
  • Lezingenreeks ‘Duurzame toekomst voor de Kempen’ (2017): Vier thema’s, mobiliteit, energielandschappen, dorpsarchitectuur en open ruimte, worden belicht. Een samenwerking van AR-TUR en Kamp C. De lezing van 13 juni, getiteld Veerkrachtige open ruimte, moet nog plaatsvinden.

Hopelijk verdient dit elders navolging, zonder dat wij er al weet van hebben.

Noten
Noot 1. S. Devillers, ’Un Belge sur huit vit dans une habitation malsaine’, La Libre, 31 mei 2017, voorpagina; p. 26-27.
Noot 2. M. Uyttenhove, ‘Huren = tegelijk sparen voor eigen huis’, HLN 15 februari 2016, p. 11. Het gaat om bouwfirma Gilen.
Noot 3. M. Elinckx, ’Wat het dorp voorstelt’, HLN, 12 april 2017, p. 16.
Noot 4. ‘Gun bewoners inspraak over bovengrondse metrostations Noord’, Mijn gedacht, Bruzz 1564, 30 maart 2017, p. 15.
Voor dit artikel werd ruim geput uit Cahier #6 WoonLabo - verslaggeving van activiteiten 2015-2016 van AR-TUR, dat als PDF kan worden gedownload en dat op papier ook te krijgen is hier. Copyright foto: Verkavelingsverhalen.

Dieper in zorg, deel 3: De kracht van wijkwerking. 'Zorg dat mensen iets te zeggen hebben over met wie en waar ze wonen. Collectiviteit zonder met elkaar iets te maken te hebben, gaat ook niet.'

Lokale initiatieven hebben kans om te slagen. Dit is sociale innovatie, schrijft Bea Cantillon, in het recent verschenen boek De staat van de welvaartstaat (noot 1). Vandaag hebben politici het veel moeilijker om zelf alle antwoorden te bieden. Ook de bijna tachtigjarige socioloog Luc Huyse ziet ‘uitwegen zijn op het lokale niveau.’ Beleid kan in ‘onderaanneming’ gegeven worden aan gewone burgers, organisaties, verenigingen. Huyse gelooft in wijkwerking en lokale werking, waarin burgers het voortouw nemen, zodat politici uiteindelijk achter hen gaan staan. En hoewel Huyse vroeger ten strijde trok tegen de verzuiling van het middenveld, ziet hij in dat een middenveld de nodige draagkracht levert (noot 2).

Zowel Cantillon als Huyse hebben een punt. Hier liggen enorme kansen verscholen voor de burger om te participeren en hen de weg te wijzen. Er is bovendien vraag naar lokale initiatieven en wijkwerking. Maar dan zijn wel plaatsen nodig waar dit in de praktijk wordt gebracht. Alleen, het is niet de eenvoudigste klus in een samenleving die grotendeels gericht is op individualiteit.

Collectiviteit is geen sterk begrip bij ons. Geen ‘sterk merk’, zouden sommigen zeggen. Moeten wij toch niet kijken hoe wij ‘collectief eigendom’ van onder het stof kunnen halen, iets waar ir.-arch. Pieter Van den Broeck (KU Leuven) over sprak tijdens een interview met Bureau Omgeving? Iets dat terug in het leven kan worden geroepen via wetgeving? Het begrip bestaat anders wel in Groot-Brittannië. De ‘commons’ was bijvoorbeeld een grasveld centraal in een dorp. Bij ons werd er in de negentiende eeuw over gedebatteerd in het parlement, maar het haalde de meerderheid niet en is gewoon verdwenen (noot 3).

Een notie van ‘common’ of ‘collectief goed’ kan initiatieven op het lokale niveau versterken. Het voorbeeld van een wijkgezondheidscentrum, temidden van woontorens gelegen in het groen, waar de demografie sterk veranderde, toont dat er zorgvoordelen kunnen zijn indien de interactie en cohesie tussen bewoners wordt versterkt (misschien is zo’n wijkcentrum zelf al een aardige ‘common’). Hoe realiseren we dit? Door voldoende inspraak en samenspraak, zo blijkt.

Het wijkgezondheidscentrum

Eind 2016 trok het boek More. Eutopia later onze aandacht. Marc Cosyns pende het neer naar aanleiding van de vijfhonderdste verjaardag van het boek Utopia van Thomas More (noot 4). De Engelse hoge administrator More schreef in 1517 enerzijds een aanklacht die vooral gericht was op zijn tijd, maar bedacht tegelijk een volledig nieuwe maatschappij. Die was meer egalitair dan wat wij kennen, maar ook verrassend verzorgend.

Marc Cosyns doceert medische ethiek, deontologie en palliatieve zorg aan de Vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheid (Universiteit Gent). Hij is auteur van verschillende artikels en boeken in zijn vakgebied en breder maatschappelijk. Hij is als huisarts werkzaam in het wijkgezondheidscentrum van de wijk Watersportbaan-Ekkergem te Gent.

Wijkgezondheidscentra brengen eerstelijnszorg (en meer) via een systeem van forfaitinkomsten naar volledige wijken. Gezondheid begint er bij aandacht voor de leef- en woonwereld van wie zorg behoeft. Artsen, verpleegkundigen, kinesitherapeuten en maatschappelijk werkers werken er samen. Met de steun van de overheid, in samenspraak en samenwerking met andere partners richten ze zich op een volledige wijkpopulatie voor zorg, welzijn en de versterking van de sociale cohesie. Gewoonlijk vestigt een arts zich ergens en wacht hij of zij tot de patiënten komen; in een wijkgezondheidscentrum (WGC) zet een multidisciplinair team zelf de stap naar een buurt.

Het eerste wijkgezondheidscentrum van Gent, De Sleep, is vandaag toch al een respectabele veertig jaar oud. Het stelde zich destijds tot doel medische eerstelijnszorg te brengen naar een overwegend Turkse populatie. Vandaag telt Gent 10 wijkgezondheidscentra verdeeld over kerngebieden. Ze zetten ook vrijwilligers in en helpen bij inburgering. De centra plegen overleg en zijn aangesloten bij de Vereniging van Wijkgezondheidscentra (VWGC). Wijkgezondheidscentra zijn vandaag nog niet overal een evidentie.   

Van Cosyns’ boek bleef ons vooral het hoofdstuk ‘Wie wil nog werken?’ bij. Daarin schreef hij: ‘Onze medicus plaatst de patiënt centraal in de tijd, in de wijk, in de zorg. De juiste zorg op de juiste plaats op het juiste moment door de zorgverlener met de juiste kwalificaties. Maar ook de beste zorg als ethische waarde.’ De arts stelt er een andere week- en werkregeling voor: geen onderscheid meer tussen week- en weekenddagen. Over het waarom schrijft hij:

Als we een werkweek van zeven dagen zouden hebben met continue geplande zorg, waar ook mogelijkheden voorzien zijn voor spoedzorg, is het probleem van weekendwacht opgelost en zou ons wijkgezondheidscentrum geen twee dagen leeg staan. De nachten zouden we kunnen verdelen onder de andere artsen van de wijk, met wie we viermaal per jaar samenkomen om wijkgerichte zorg te bespreken. (…) Geen onnodig urgente uitstapjes naar de spoed meer voor de patiënt, geen wachtposten nodig, maar optimale thuiszorg. (noot 5)

Vandaag zijn er nog anderen die de nood aan flexibele werkvormen inzake zorg bepleiten, zoals Leen Schollaert van zorgadviseur Probis. Zij is ook gewonnen voor het idee dat thuisverpleeg-kundigen moeten kunnen doorgroeien naar de rol van wijkverpleegkundigen (noot 6).

Wonen is niet enkel een individu dat beslist intrek te nemen tussen vier muren. Als ik woon, wil dit ook zeggen: er is sociaal contact mee gemoeid.

We polsen Cosyns over de werking van WGC Watersportbaan in de wijk. Hij stemde toe met een interview, precies omdat het wijkgezondheidscentrum gezondheid ruim bekijkt. Het kijkt ook naar wonen en hoe meer collectiviteit kan bijdragen tot gezondheid en welzijn. In de wijk Watersportbaan is dit opportuun, zo blijkt.

De moderne tuinstad

Tot de jaren 1950 waren de Blaarmeersen vooral drassig gebied. Stad Gent ontwikkelde het gebied, eerst door de aanleg van Nationale Watersportbaan Georges Nachez en door de ontwikkeling van sociale woningbouw (1958-1961). Die kregen de vorm van hoge, moderne flatgebouwen omgeven door veel groen voor recreatie. Op het terrein waar vroeger enkel meersen waren, kwamen woontorens. Daarrond is nog een residentiële wijk met vrijstaande woningen (noot 7).

De ontwikkeling van de wijk haalde wellicht inspiratie uit het model van de tuinstad, dat Ebenezer Howard eind negentiende eeuw in de Verenigde Staten bedacht. Een tuinstad was een autonome stad van ca. 32.000 bewoners met een hoge graad aan zelfbestuur en autonomie. Naast recreatie en wonen werd er ook aan industrie en landbouw (zelfvoorziening) gedaan. Bijzonder was dat dit model uitging van intensieve participatie van de bevolking in het bestuur van de tuinstad en zelfs van een hoge graad van bestuurlijke autonomie.

Het model was initieel gezien voor het platteland, maar het beïnvloedde verschillende stedenbouwkundigen in Europa die het toepasten op steden, bijvoorbeeld Londen. Het model kreeg ook in andere Europese landen navolging. In de latere voorbeelden van het tuinstadmodel verdwenen naderhand de participatieve, autarktische, sociale idealen. Het concept liberaliseerde. Zo bleef het enkel over als ontwerpmodel (noot 8).

Ook de wijk Watersportbaan was bedoeld voor arbeiders en een opkomende middenklasse die werd aangetrokken tot modern wonen in het groen. Marc Cosyns wist te vertellen dat in de woontorens de onderste verdiepingen oorspronkelijk gereserveerd waren voor collectieve voorzieningen. ‘De afdeling Sociale Geneeskunde van de Gentse universiteit speelde toen met het idee er een gezondheidscentrum te vestigen.’ Zulke ideeën leefden wel, maar er kwam niets van in huis. De collectieve invulling is er nooit gekomen bij gebrek aan financiële middelen.

WGC Watersportbaan is gegroeid uit een groepspraktijk van drie artsen, waar Marc Cosyns er één van was. De artsen van deze praktijk kwamen naar de wijk toe, hoewel zij er niet woonden. Zij hadden allen echtgenotes die zelf werkten. Het model van de meewerkende echtgenote of praktijk aan huis konden zij niet toepassen. ‘Wij zijn de groepspraktijk bewust hier in deze wijk begonnen, omdat we wisten dat een eerstelijnsgezondheidscentrum voorzien was vanuit Sociale Geneeskunde. We wisten dat hier veel mensen in kansarmoede terechtkwamen.’ De praktijk zat eerst buiten de torens, dan in één ervan, van zodra er iets vrijkwam. Rond 1990 kreeg de groepspraktijk de stad Gent zover om het centrum te verhuizen naar de huidige locatie. In 2010 werd het een WGC.

De demografie van de Watersportbaan-wijk is grondig veranderd. De eerste bewoners, als ze nog leven, zijn diep in de tachtig. Hun kinderen zijn lang het huis uit. Sommige van hen wonen alleen. Of ze worden vervangen door nieuwe bewoners met kinderen, veelal van allochtone afkomst. De gemiddelde leeftijd van de wijk daalt wel, maar sector Neermeersen, waar het WGC is gevestigd, noteert slechter op inkomstenindicatoren dan elders in de stad. Het percentage verhoogde tegemoetkoming, volgens het jaarverslag van het WGC een ruwe indicator voor armoede, is met 54,6% het op één na hoogste van de stad. Van de patiënten van het WGC heeft 36,4% een verhoogde tegemoetkoming, een verdubbeling op minder dan 10 jaar tijd.  Het aantal patiëntencontacten nam op 2 jaar toe met 15%. Er is dus een reële zorgnood in de wijk (noot 9).

Bewoners betrekken bij hun eigen wonen

In de woontorens aan de Watersportbaan wonen mensen samen zonder veel met elkaar te maken te hebben. De collectieve voorzieningen kwamen er niet. Niet elk gebouw heeft een conciërge. Er is binnen de woontorens ook een afstand tussen de bewoners van elk van de vier verschillende sectoren, die elk een aparte toegang hebben. Elk blok heeft zo’n 150-200 inwoners. Als van de sterk verouderde koppels een partner wegvalt, geeft dit vereenzaming. Een groot probleem, zegt Cosyns. Bovendien is het beleid van toewijzing van woningen versnipperd en verzuild over ziekenfondsen en OCMW. Zij wijzen woningen toe aan mensen, en daarmee is de kous af.

Mensen worden net te weinig betrokken.

De woonverandering vindt plaats zonder enige inspraak, geeft Cosyns aan. Mensen die er al wonen, worden niet bevraagd met wie ze willen wonen. Door de gewijzigde demografie krijgt een verouderde bevolking met zorgnoden plots te maken met allochtone bewoners met kinderen. Voor de ene kan het eens zo rustige wonen door spelende kinderen plots een heel ander aspect krijgen. ‘Da’s om problemen vragen’, meent hij. Op het moment van de instroom wordt niet voldoende gedaan. Aan de nieuwe bewoners die er komen, wordt ook niet gevraagd waar en hoe ze willen wonen. Maakt spreken over wonen deel uit van de inburgeringscursussen? Maak elkaars woonwensen expliciet, is zijn suggestie. Op tijd, op voorhand.

Is ons wonen dan een eiland-wonen, schotelen we de arts voor (het utopia van Thomas More was ook een eiland). ‘Er wordt inderdaad onvoldoende over nagedacht dat wonen meer is dan onze intrek nemen tussen vier muren. We vertrekken nog altijd te veel van het individu’, vindt hij. Verrassing: Cosyns kent collectief wonen uit eigen ervaring. Jaren geleden stapte zijn gezin in de wijk Hutsepot in Zwijnaarde in een groepsproject in woonuitbreidingsgebied met een aantal elementen collectief. De woningen waren meteen bedacht op latere opsplitsing en aanpassingen voor ouderdom.

Oorspronkelijk was het de bedoeling een hele wijk collectief wonen te maken, maar uiteindelijk bleven drie gezinnen over. Velen bevragen de gekende woonmodellen wel, maar kiezen dan toch weer voor een individuele oplossing, denkt Cosyns. Ook de drie gezinnen bevragen hun model nog. En toch betrapt de arts er zichzelf op dat nog zoveel mogelijkheden in collectiviteit verscholen liggen, waar hij zelf nog niet eens aan denkt. Dit besefte hij toen een buur hem aansprak om samen eens te kijken naar de haalbaarheid van een laadpaal voor elektrische wagens.

Terug naar de wijk Watersportbaan. Alle woontorens werden op energetisch niveau vernieuwd, maar aan de samenhang tussen de bewoners werd niet gedacht, merkt Cosyns op. ‘Hoe zorg je voor elkaar? Hoe ga je eenzaamheid tegen? Da’s de kern van het verhaal.’ Hij kent als arts zeker krasse voorbeelden van eenzaamheid. ‘Thomas More loste het op door mensen in grote leefgroepen te plaatsen. Bij ons is dit niet mogelijk, maar we kunnen ons toch de vraag stellen hoe we in die afzonderlijke bewoners mensen toch wel bij elkaar brengen, zodat ze door bij elkaar te wonen hoe dan ook met elkaar in contact zijn.’

Bereikt het centrum de wijk, vragen we. ‘Eens mensen de drempel oversteken, bereiken we hen zeker’, antwoordt Cosyns. ‘wij willen zeer graag een sociale mix behouden’. Soms ziet het centrum patiënten wegblijven, omdat er ook patiënten langskomen met psychiatrische problemen of kansarmoede. Daarom werkt het centrum met vaste afspraken. ‘Dat kunnen we goed managen’, zegt de arts. ‘Dat komt misschien ook omdat mensen niet voorbereid waren om hier te komen wonen. Bereid ze voor, dan worden mensen bereid dingen voor elkaar te doen. Daar geloof ik wel in.’ Cosyns ziet het gebrek ook in de vele woonprojecten die vandaag ontwikkeld worden. ‘Ook daar worden de verschillende bewoners er te weinig bij betrokken vanaf in het begin. De vraag naar de woonwensen zou moeten op voorhand gesteld worden, maar dat gebeurt niet. Zo jammer.’

De vraag naar de woonwensen zou moeten op voorhand gesteld worden, maar dat gebeurt niet. Zo jammer.

WGC Watersportbaan ziet meer collectiviteit in de wijk krijgen als één van de opdrachten. Het team brachten de signalen uit de wijk in kaart en bekijkt wat het kan doen. In 2015 richtte het de werkgroep ‘Buren voor Buren’ op, waar iedereen die op één of andere manier met welzijn en gezondheid bezig is, samen komt om acties op touw te zetten. Er is een wijkkrantje en ontmoeting via dagen van de buren, wijkpicknicks, buurtfeesten, een moestuin.

Sociale cohesie: meerwaarde voor thuiszorg en tussenzorgvormen

We raken met Cosyns aan dat de overheid net wil inzetten op een rijker palet aan tussenzorgvormen, zoals thuiszorg en mantelzorg. Zorg gaat natuurlijk nog breder dan ouderenzorg, overigens niet het enige zorgthema in de wijk. Over ouderenzorg gesproken bepleitten Jeroen Trybou (gezondheidseconoom U Gent) en Patrick Laisnez (zorgadviseur Probis) in een column in de krant De Tijd in 2015 ‘de uitbouw van voldoende alternatieven voor senioren met een beperkte nood aan ondersteuning.’ Het rusthuis is misschien een ‘harde zorgkern’, maar volgens hen ‘bestaat het ouderenzorgbeleid immers ook uit andere instrumenten’ (noot 10). Bovendien kijkt de overheid ook naar het terugdringen van onnodige opnametijd in ziekenhuizen, werpen we Cosyns voor.

‘Daar moet je dan wel op voorbereid zijn’, reageert hij. Hij legt uit dat wanneer het team van het centrum intensief op zoek gaat naar mantelzorg voor alleenstaanden, het bijna altijd mensen moet zoeken van buitenaf. ‘Dit gaat om hulp buiten de werkuren’, waarschuwt hij. ‘Om mensen de mogelijkheid te geven hier te blijven wonen. Da’s op dit moment nog altijd een probleem.’ Eigen aan het WZC is dat het een beroep doet op vrijwilligers. Dit zijn geen patiënten en zij wonen meestal niet in de gebouwen zelf, maar wel in de buurt. ‘Dat moeten niet altijd dezelfde mensen blijven’, vindt Cosyns, ‘maar we vinden het wel belangrijk dat ze uit de wijk zelf komen.’

‘Het voordeel aan vrijwilligers is dat ze er ook niet voor altijd zijn. Moet kunnen. Even in de tijd zetten ze zich in en dan verandert het. Dat is er mooi aan. We denken soms te veel het is voor eeuwig en altijd dat we dit doen.’ Cosyns pleit net daarom om niet te wachten met vrijwilligerswerk tot we met pensioen zijn, maar de kans te krijgen het te integreren in onze werkweek. Als hij in zijn boek flexibiliteit bepleit inzake werk, iets wat hem kwalijk genomen wordt, dan bedoelt hij de kans om dit soort van zinvolle, zingevende tijdsbesteding te kunnen integreren.

Cosyns is niet de enige die zinvolle tijdsbesteding bepleit. In een interview met De Standaard dit weekend zegt de Australische filosoof Roman Krznaric (The School of Life) dat dit burn-out kan tegengaan: ‘Over het algemeen denk ik dat mensen die iets zinvols doen, geen burn-out zullen krijgen, hoe hard ze ook werken (…) Het is zinniger om te leven alsof het je laatste tien jaar zijn. Dat laat ruimte voor betekenisvolle projecten’ (noot 11).

'Bedenk eens hoe sterk het zou zijn als je mantelzorgers kunt vinden onder de bewoners', stelt Cosyns. Hier raakt de arts iets aan dat niet voldoende als probleem wordt geïdentificeerd. ‘Een van de grote problemen is: wie vertegenwoordigt de mensen die hier wonen?’ Het WGC werkt wel samen met de verschillende zuilen-woonverstrekkers en met de conciërge die de grootste woontoren wel heeft. Die conciërge kent er gelukkig wel de meeste mensen. Het is goed dat deze partijen bereid om aan tafel te zitten.

Het wijkgezondheidscentrum werkt een matching-systeem uit om bewoners met overeenkomsten of juist complementariteit met elkaar in contact te brengen. Zo zag Cosyns in één blok waar hij veel patiënten heeft een buur die nooit eerder contact had met een andere buur, die andere toch de hand uitreiken, toen hij zag dat die een heup had gebroken. Hier stond een potentiële vrijwilliger op. ‘Als je er mensen gevoelig voor maakt, kan het wel. Mensen worden net te weinig betrokken.’

Gebrek aan inspraak kan ook voor problemen zorgen in goedbedoelde projecten, zoals een appartement in gebruik als tussenzorghuis voor alleenstaande kankerpatiënten die geen beroep kunnen doen op mantelzorg. Het werd gehuurd op een bovenverdieping in één van de torens. Er kwam protest. De ene wilde niet met zieken geconfronteerd worden, de andere protesteerde tegen te veel heen-en-weer-geloop. Het was goedbedoeld, de stad zette door, maar het is ook iets dat beter op voorhand was bevraagd of aangekondigd. ‘Preventief met elkaar bespreken, hoe elkaar bijeenbrengen, als manier om zorgzamer met elkaar om te gaan’, aldus Cosyns.

Vandaag bestudeert het WGC Watersportbaan, dat al eens te klein was en werd uitgebreid, eventueel nieuwe behuizing. Als de nieuwe locatie er komt, is de kans groot dat er collectieve voorzieningen zijn en een woonfunctie. Vroeger zouden de medewerkers er nooit bij hebben stilgestaan, maar vandaag denken ze na over hoe ze elke vierkante meter kunnen benutten, ook tijdens het weekend. En ze denken opnieuw na over hun eigen wonen, in de wijk waar zij werken. En zo komen zij zelf weer tot interactie met nieuwe mensen. 'Deze wijk is wegens het ruim aanwezige groen een aparte wijk', vindt Cosyns. ‘Ze zou een voorbeeldfunctie kunnen vervullen voor hoe je er gezondheid, welzijn en wonen samenbrengt.’

Net het organiseren van het met elkaar spreken is moeilijk, want onbekend terrein. Als we Cosyns vragen waarom dat zo is, dan weet hij enkel dat het moeilijk is om mensen in beweging te zetten. ‘Mensen komen pas aankloppen als er problemen zijn.’ Patiëntenraden, een materie die hij goed kent, zijn ook moeilijk te organiseren.  ‘Constructief meedenken, hoe hier een soort collectief maken, hoe samenwerken, da’s veel moeilijker.’

De arts blijft blijft realistisch optimistisch. ‘Misschien is dit utopisch’, lacht hij. ‘Als mensen op voorhand kunnen zeggen met wie ze willen wonen, maakt dat de dingen er niet eenvoudiger op. Samenwonen is niet eenvoudig. Het is niet altijd geweldig. Er zijn ook moeilijkheden. Maar het wordt zeker nog niet voldoende toegepast. Zo’n aanpak kan vruchten afwerpen voor het samen wonen en samen zorgen voor elkaar. Als je mensen bevraagt en betrekt, krijg je een meerwaarde.’

Ook de eerste bewoners van woonuitbreidingsgebied Hutsepot, waar Cosyns woont, zag dat hun wijk volgebouwd werd zonder dat daar inspraak over was. Dat kan toch anders? Zorg dat mensen inspraak hebben over hun directe woonomgeving en wat er komt, vindt hij. In de Hutsepotwijk ligt een woonzorgcentrum. Vandaag probeert men in Zwijnaarde echt meer verbindingen te leggen met de bewoners ervan. Men kijkt naar aanleunwoningen en men denkt na over dubbel gebruik van infrastructuur. ‘Er moet voldoende verbinding zijn om de contacten met die anderen mogelijk te houden en te stimuleren.’

Zwijnaarde toont dat het kan. Men gaf de lokale verenigingen een plaats in het woonzorgcentrum en bracht er een bibliotheek in onder. De infrastructuur laat toe om aan het schooltje een speelplaats te geven binnen het project van het woonzorggebied, maar het is van belang de bewoners daarover te bevragen.

‘Mensen bevragen is leuk. Het geeft net kansen aan wie eenzaam is om gehoord te worden en hen uit een isolement halen. Als mensen worden voorbereid, zijn ze bereid dingen voor elkaar te doen. Als we zoeken, zijn er allerlei mogelijkheden’, besluit hij. ‘Ik denk ook dat als je dit op voorhand doet, je een groepsgevoel creëert. Zonder groepsgevoel kan je niet werken.’

Mensen bevragen is leuk. Het geeft net kansen aan wie eenzaam is om gehoord te worden en hen uit een isolement te halen. Als mensen worden voorbereid, zijn ze bereid dingen voor elkaar te doen.

Noot van de auteur: dit artikel sluit de reeks Dieper in zorg, over zorg en wonen, af. De geplande bijdrage van Ineke Hulselmans verschijnt apart. Onze volgende bijdrage brengt een voorbeeld uit Berlijn van hoe je inspraak en samenspraak organiseert met bewoners. We belichten de lezing die architect Florian Köhl onlangs gaf in C-Mine in Genk, over het realiseren van gebouwen middels Baugruppen. Een aardige aanvulling wordt dit op dit artikel.

Noten
Noot 1. B. Cantillon, L. Buysse, De staat van de welvaartstaat (Leuven 2016), p. 359-361.
Noot 2. Interview met Luc Huyse, De Tijd, 15 april 2017, p. 8.
Noot 3. A. en F. Van Cauwelaert, ‘ “Waarom eten we de ruimte op?” Dossier Van wie is de stad?’, Mo (Mondiaal Nieuws), 14 september 2016. http://www.mo.be/interview/waarom-eten-we-de-ruimte-op.
Noot 4. M. Cosyns, More. Eutopia later (Antwerpen 2016). www.marccosyns.eu.
Noot 5.  M. Cosyns, More. Eutopia later, p. 94, 99.
Noot 6. L. Schollaert, 'Ook in thuiszorg steeds meer aandacht voor samenwonen en samen zorgen’, http://probis.be/nl/nieuws/ook-thuiszorg-steeds-meer-aandacht-voor-samenwonen-en-samen-zorgen.
Noot 7. https://stad.gent/watersportbaan-ekkergem/over-de-wijk/geschiedenis-van-watersportbaan-ekkergem
Noot 8. J. Kingsma, De magie van het jaren ’30 huis (Nijmegen 2016, derde druk), p. 40-41.
Noot 9. Wijkgezondheidscentrum Watersportbaan vzw, jaarverslag 2016, p. 3-4.
Noot 10. J. Trybou, P. Laisnez, ‘Aangepaste ouderenzorg is meer dan nieuwe voorzieningen bouwen’, De Tijd, 27 mei 2015. http://www.tijd.be/r/t/1/id/9637627
Noot 11. Interview met Roman Krznaric, De Standaard, 20 en 21 mei 2017, p. E7.

Dieper in zorg, deel 2: ons wonen moet fijnmaziger worden

Hoe kunnen wij vandaag nog meer zorgend wonen? Ons aanbod inzake wonen moet gedifferentieerder en fijnmaziger, stelde Martine Van Geyt van Steunpunt Algemeen Welzijnswerk in 2010 in beleidsdossier Tussen wonen en welzijn. Dit dossier bekeek alle aanwezige woonvormen bij ons, van wonen op straat tot zelfstandig wonen. De conclusie was niet alleen dat er te weinig aanbod was voor wonen onder begeleiding, maar ook onvoldoende diversiteit in de beschikbare woonvormen.

Het aantal mensen dat woonbegeleiding nodig heeft, stijgt. Indien er te weinig aanbod is (lange wachtlijsten voor sociale woningen) en onvoldoende diversiteit van woonvormen, dan is er geen goede begeleiding van zulke mensen mogelijk. Stap af van het eilanddenken, stelt de studie. Zorg voor een ‘beleidsoverschrijdend platform wonen en welzijn’ om de problemen zo efficiënt mogelijk aan te makken.

Onvoldoende diversiteit in woonvormen was ook één van de pijnpunten waar het boek Verkavelingsverhalen op wees (Public Space, 2016). Gemeenten blijven vaak verkavelen, terwijl de soort woningen die gebouwd worden een te eenzijdig aanbod geven zonder voldoende ontmoetingsplekken. Schrijnend is het voorbeeld van hele oude bewoners in verkavelingsvilla’s die niet aangepast zijn, maar die deze niet kunnen verkopen en er dan maar van lieverlee blijven wonen.

Vandaag weten we dat ook het zogenaamde eindpunt van die nota, het zelfstandig wonen, onder druk komt. Wonen mag dan toenemend geassocieerd worden met verfraaiing en design, de basis (wonen, energie) neemt een serieuze hap uit ons budget. Ergens lazen we wat goedkoop wonen vandaag zou zijn: de besteding van 600 EUR per maand voor huur en energie. Met de meeste woningen en woonvormen, zelfs in het geval van de huiseigenaar,  zitten we er ruim boven.
Het verwerven van een nieuwe woonst is een serieuze drempel.

Vandaag zet de Nationale Bank in het raam van controle op banken een limiet (80%) op het percentage dat mensen kunnen ontlenen voor behuizing. Een hoog percentage Belgen (45%) leent meer dan 80% om eigenaar te kunnen worden van een woning. Onderliggend betekent dit, en dit wordt ook bevestigd, dat de aankoopprijzen van woningen in België hoog zijn. In vergelijking daarmee, zo stellen immobiliënkantoren, is de huurprijs van een woning of appartement stabieler gebleven, maar ook nog altijd duur. De studie ‘Tussen wonen en welzijn’ pleitte daarom voor de invoering van een huursubsidie. Als we dan nog weten dat het aantal alleenwonenden zal toenemen (meer dan 50% van alle huishoudens tegen 2060), weten we ook dat de financiële kwetsbaarheid groter wordt.

Met fijnmazigheid als leidraad kijken we welke woonvormen het aanbod kunnen aanvullen en welke initiatieven bestaan om zorg beter te integreren. Dit valt zowel de noemer ‘begeleid wonen’ als ‘vooruitziend zelfstandig wonen’. We kijken met deze bril opnieuw naar een aantal oplossingen en wenken afkomstig van de Online Community onder Expi, Expo en Expa op duwobo.be. Geven de voorbeelden daar een diverser aanbod?

Negotiatiestedenbouw

In 2015 was Betaalbaarheid en haalbaarheid thema van onze Transitiearena. We herinneren nog eens aan de waarschuwing van Tijl Meheus, Teamcoach Straathoekwerk in Gent, nog altijd actueel: pas op voor sociale verdringing. Pas op, dus, dat je niet enkel (te dure) woningen en appartementen bouwt die een industriële wijk in een stad weliswaar tot nieuw leven wekken, maar die helaas ook (te) exclusief zijn (gentrificeren). Dit wil zeggen dat het gevaar dreigt dat ze geen oplossing bieden aan mensen die meer woonbegeleiding nodig hebben.

Een stap in de goede richting voor bewoning op maat van behoeften is aan negotiatiestedenbouw doen. Voor de ontwikkeling van stadsdelen en wijken op grote schaal moet de overheid ontwikkelaars randvoorwaarden opleggen in projecten. Het doel is duurzaamheid, betaalbare woningen opleveren, het versterken van de sociale interactie, via verplichte collectieve inrichtingen zoals een buurthuis of zaal, speelpleinen, kortom, voorzieningen op de maat van jong en oud die de interactie bevorderen. Het gaat om inplantingen die rekening houden met de context en met (zachte) mobiliteit.

Nog altijd een belangrijk buitenlands voorbeeld is de ontwikkeling (1992-2006), aangestuurd door een particuliere NGO, in het Duitse Freiburg van duurzame wijk Vauban, een voormalige militaire kazerne van 38 ha tot een verkeersluwe, ecologische woonwijk, met collectieve voorzieningen, waar een uitgebreid proces van inspraak door de burger gevoerd werd.

Wij hoeven vandaag niet meer enkel naar Freiburg op studiereis, want in Vlaanderen zijn in tal van steden en gemeenten nieuwbouwwijken en stadsvernieuwingsprojecten uitgevoerd of gepland. We kunnen bijvoorbeeld naar Boechout. Dit voorbeeld komt uitgebreid aan bod dit weekend in Netto, de bijlage van De Tijd: Midden Boechout, 297 eenheden in meer dan één typologie, voor verschillende budgetten, daaronder sociale woningen. En net buiten de gesaneerde industriële site werden nog assistentiewoningen ontwikkeld. Een ander voorbeeld geleid door duurzaamheid is de ontwikkeling van de Suikerfabriek in Veurne. Het is één van de acht voorbeelden van ontwikkeling en herwaardering binnen het eerste Lerend Netwerk Duurzame Wijken.

Zit er voldoende diversiteit in de woontypologie, en richt deze zich tot zorg? Inmiddels komen er voorbeelden bij. Kortrijk Eco-Life Venning en De Werve Hoef in Wijnegem voorzien ook sociale woningen. Mechelen Papenhof wil verschillende woontypologieën combineren, waaronder de kangeroewoning.  Ekeren Hoekakker voorziet woningen voor starters en senioren. Het mengen van woontypologieën (al dan niet grondgebonden) raakt in verschillende projecten wel goed ingeburgerd.

Een grote wijkvernieuwing waarin aandacht komt voor zorg is de Hertogensite in Leuven. Het betreft een ziekenhuissite die haar toekomstige identiteit nog uit zorg wil halen. Behalve appartementen, woningen en een cohousing-project voorziet dit project sociale huurwoningen, assistentiewoningen voor mensen die zorg behoeven en een woonzorgcentrum. Een voormalig medisch gebouw op de site wordt omgevormd tot welzijnstoren die in de benedenstad als voorpost zal dienen van het buiten de stad gelegen universitair ziekenhuis. Een soortgelijk voorbeeld bevindt zich in Herk-de-Stad in de omgeving van het lokale ziekenhuis. Op woonuitbreidingsgebied Herckerveld komen onder meer zorgwoningen, seniorenwoningen en sociale woningen.

Randvoorwaarden

Zijn de randvoorwaarden altijd voldoende sterk ontwikkeld of bekend? Voor Midden Boechout is dit zeker het geval. De gemeente stelde eisen: slechts 30% van de oorspronkelijke industriële site is nog verhard, een sociale mix, betaalbare sociale woningen, plaats voor crèches en een politiekantoor.

De inrichting van wijken of kleinschaligere woonprojecten kunnen dus geleid worden door randvoorwaarden. Energiebesparing is een randvoorwaarde die de woonkost een stuk naar beneden kan brengen. Een mooie combinatie van hernieuwbare energie en sociale huisvesting is Wijnrankplein in Grobbendonk, dat sociale woningen en aanleunwoningen realiseerde dichtbij een OCMW-rusthuis, een verzorgingstehuis en woningen op het gelijkvloers voor ouderen. Een ander voorbeeld zijn de passiefhuizen in Lanklaar van SHM Maaslands Huis. Hier zijn seniorenwoningen gepland. Energiebesparing is ook de drijfveer van de vele projecten van groepsrenovatie (bv in Gent, Limburg, Kortrijk) die kwetsbare groepen helpen om verbeteringen aan te brengen aan verouderde woningen.

Renoveren doe je best per straat.

‘Renoveren doe je best per straat’, zeggen Helga Van der Veken (Duurzaam Ondernemen bij KBC) en Dirk Van Regenmortel (Ecohuis). Trouwens, één van de conclusies op één van onze Transitiearena’s (Renovatie Collectief) was: duurzaam renoveren dient per wijk te gebeuren, via wooncoöperaties.

De prijs van een bouwkavel laag houden een andere. En zulke voorwaarden kunnen toelaten dat het financieel meer haalbaar wordt voor een individu of een gezin om er te wonen. Collectief Goed in Antwerpen en in Wallonië Habitat & Humanisme zorgen dat mensen met weinig kapitaal duurzame woningen kunnen betrekken. De nieuwe particuliere vastgoedinvesteerder Inclusio legt zich toe op bewoning voor kwetsbare groepen, zoals mensen met een handicap (zoals Toontjeshuizen, kleinschalige woonzorg voor gehandicapten, ook van plan is) of éénoudergezinnen.

De grotere nabijheid van medebewoners en collectief gebruik van ruimte zijn andere randvoorwaarden. Je verkleint je voetafdruk, maar vergroot het gemeenschapsleven. Eén van de oplossingen ligt in woonvormen met een graad van collectiviteit, van lokale energiewinning tot samenhuizen in al zijn vormen. Zo kan een aantal kosten gedeeld en omlaag. ‘Niet enkel om ideologische redenen zullen wij kiezen voor vormen van cohousing, maar uit economische noodzaak’, zegt stedenbouwkundige Peggy Totté, programmator van Architectuurwijzer, die volgende week (op 27 april) Florian Köhl van Baugruppen (Berlijn) als spreker naar Genk haalt.

‘Cohousing is klaar om uit haar niche te breken’, stelt ook Netto, de bijlage van De Tijd, vandaag. Knowhow is te vinden bij partijen zoals Samenhuizen vzw of Cohousing Projects. Deze laatste realiseert als coöperatie een aantal projecten in verschillende provincies. Zowel buiten- als binnenruimte wordt voor een aantal functies gedeeld. Zulke projecten streven naar het samenwonen van verschillende generaties. Sommige projecten bieden plaats aan mensen met een zorgbehoefte. Project Eco-village in Kampenhout bijvoorbeeld kon de koopkost van een kavel beperken tot een aanzienlijk lagere som dan doorsnee. Geen enkel project volgt hetzelfde traject, maar hangt van de bewoners af. Wat delen mensen zoal? Enkele mogelijkheden:

  • Gemeenschappelijke buitenruimte: speeltuin voor kinderen, tuin, moestuin, kippen houden
  • Gemeenschappelijke binnenruimte: gedeelde carports en fietsstalling, atelier of werkplaats om gereedschap te delen, een wasplaats, een polyvalente ruimte, een logeerkamer.

Symbiosis Vlaanderen begeleidt en realiseert woonprojecten voor de tweede levenshelft (65+). Naast zelfstandig wonen is er collectiviteit en wordt betrokkenheid met de lokale gemeenschap rondom het project ingebouwd. Ook een zorgnetwerk rondom wordt in kaart en liefst dichtbij gebracht. Zo’n initiatief kijkt als mogelijke plekken naar het hergebruik van oude gebouwen. Het is vergelijkbaar de seniorenstadwoonboerderij die in Nederland werd geopperd (we weten niet of ze al bestaat) en met Abbeyfield-projecten (cohousing voor senioren). Een neveneffect: zulke projecten onderzoeken in onbruik geraakte gebouwen, daaronder kloosters of kerken. Als we dan toch in de historie duiken: één van de plaatsen van samenleven, apart en toch in gemeenschap, was het begijnhof. Rond de herbestemming van kerken werkten zowel het Kenniscentrum Vlaamse Steden als Dubo Limburg.

Bijzondere randvoorwaarden rond pedagogie en zorg zitten in het masterplan en de gebouwen van gemeenschapsinstelling GI De Zande in Beernem, een jeugdinstelling voor meisjes door architectuurgeroep B2Ai. Het project neemt passiefbouw als leidraad en verbouwt ook een schuur. De site en gebouwen zijn bedacht op het begeleiden vanleefgroepen die evolueren van gesloten en open begeleid wonen tot zelfstandig wonen. De site heeft ook een school en een sporthal.

Inbreiding

Gebruik van (de ruimte van) bestaande woningen of gebouwen doelmatiger. Deel ze met meer bewoners. Inbreiding is binnen één ruimte meer gebruik creëren. Het optoppen van bestaande gebouwen is een mogelijke manier van inbreiding. Voor bestaande woningen schreef een werkgroep het ‘Ideeënboek nieuwe GeWOONtes’ binnen een traject Samen duurzaam wonen en verbouwen van het Antwerpse Stadslab2050. In steden is het soms moeilijker om aan de woonvraag te voldoen met de bestaande ruimte. Optoppen en snel en licht modulair bouwen worden dan serieuze denkpistes. Inbreiding zit ook wel vervat in projecten zoals Ulobia in Sint-Amandsberg in Gent, de Tuinwoningen en kantoor van Collectief Noord in Antwerpen, Gestapelde Stad in Antwerpen, en een toren voor Beerse, maar dit zijn geen projecten waarin zorg zit vervat.

Aanpasbaar bouwen

Pas een bestaande woning aan nieuwe noden aan, bijvoorbeeld een zorgnood. Eén van de meedenkers aan het Antwerpse ‘Ideeënboek Nieuwe geWOONtes’ was Yves Michiels, die Newcraft ontwikkelde, dat aanpasbare houtmassiefbouw wil aanbieden. In dit geval zou dit gaan om ecologische prefab-bouw die ook kan inspelen op zorgnoden (door het verplaatsen van muren of het aanbouwen). Goedkopere en snellere manieren van bouwen wordt nu al uitgetest via 3D-printers. De Wijk van Morgen van Kamp C volgt zulke innovaties op de voet.

Sommigen gaan voor oplossingen binnen een bestaande context. In Evere (Brussel) was de renovatie van sociale woontoren ‘Ieder zijn huis’ de aanleiding om er kangeroewoningen in te voorzien, zodat wonen mogelijk wordt voor ouderen en mensen met een beperking. Anderen vullen dit later in. De buitenlandse architect Alejandro Arabena, die als een beïnvloeder kan gelden, zegt: zorg dat de regelgeving toelaat dat een woonfunctie op het moment van de bouwvergunnning nog niet volledig is ingevuld en later nog kan worden aangepast (bijvoorbeeld aan zorgnoden).

Wees radicaal en vervang de oude woning indien mogelijk door een nieuw gebouw die één enkele wooneenheid overstijgt en die particulier en collectief ruimtegebruik combineert. Een mooi voorbeeld is 'De duurzame wijk' in Kortrijk, maar het is niet specifiek gericht op zorg. Het betreft de bouw van enkele aan elkaar geschakelde woningen met privétuinen maar ook een collectief en ruwer stuk tuin vlakbij het centrum en het voldoet aan energiezuinigheid.

Deeleconomie en ruilen

We hoeven niet meer alles alleen thuis te doen of hebben. Vandaag is besparing mogelijk dankzijde deeleconomie. Tuinieren en eten en allerlei vormen van recreatie kunnen aan een grotere collectiviteit gekoppeld worden. Het delen van ritten en auto’s kan ook in het raam van zorg gebeuren, maar dit is vandaag nog toekomstmuziek.

Het boek van Thomas Rau en Sabine Oberhuber, ‘Material Matters. Het alternatief voor onze roofbouwmaatschappij’ (2016) kan als leidraad dienen. Laat ons weg stappen van bezit en betalen voor gebruik, stellen ze. We gaan van product naar dienst: we betalen voortaan voor loopuren, zituren, lichturen. Het zal producenten aansporen om ervoor te zorgen dat hun toestellen zo lang mogelijk meegaan. In plaats van verbruikers worden we gebruikers. We evolueren van eigendom naar performante interieurs.

Bedenk welke oplossingen dit kan bieden voor sociale huisvestingsmaatschappijen. Nu swingen energiekosten de pan uit en minder kapitaalkrachtige bewoners kunnen zich geen energiezuinige toestellen veroorloven. Geen wasmachine meer kopen, wel wasbeurten. Niet langer eigendom. Gebouwen niet meer naar 0% afschrijven, wel naar 20%. Grondstoffen horen waarde te behouden bij demontage. Geen grondspeculatie meer, grond heb je te leen. Intercommunale Leiedal en Vormingplus nodigen Thomas Rau uit om te spreken op 23 mei 2017.

Werken in de marge doen andere initiatieven. In Groot-Brittannië biedt sociale onderneming Dot Dot Dot Property vrijwilligers aan die in ruil voor bewoning op leegstaand panden letten. Een variant van deze dienst is dat zulke vrijwilligers in de nabijheid van ouderen wonen en als vrijwilligerswerk met hen activiteiten doen, zoals tuinieren. Intergenerationeel wonen kan ook een vorm van ruilen zijn. In België kunnen studenten koten huren bij ouderen die eenzaamheid willen doorbreken, bijvoorbeeld via vzw 1Toit2ages. Zulke initiatieven zijn kleinschalig, maar dragen misschien bij tot een mentaliteitswijziging inzake ons eilandwonen.

Pilootprojecten zorgwonen

In 2012 startte het Team Vlaams Bouwmeester (onder Peter Swinnen) enkele Pilootprojecten Onzichtbare Zorg op. In 2014 volgde de publicatie Innoverende Zorgarchitectuur. Maximaliseer collectief wonen, was één van de aanbevelingen.

Naar meer woonmobiliteit.

Woonmobiliteit

Laat het idee varen dat je tot het eind van je dagen op dezelfde plek moet wonen. Dit oppert de Vlaamse Overheid vandaag al. Durf te verhuizen. Op dit idee zit nog spanning vandaag. Ten eerste moet er een aanbod er zijn dat past bij de nood. Verder is het voor mensen niet altijd financieel haalbaar om te verhuizen, omdat de projecten van de private woningmarkt, bijvoorbeeld in stadsontwikkelingsgebied, financieel te hoog gegrepen zijn.

Soms willen mensen gewoon zolang mogelijk in hun (oude) huis blijven. Naast renovatie gebeuren nu wel al kleine aanpassingen in functie van zorg, zodat mensen wat langer in hun huizen kunnen blijven, maar dit blijft beperkt tussen tot de gekende woonvorm. Zelfredzaamheid tussen de vier bekende muren - “één huis voor één gezin”, zoals geciteerd uit Netto - blijft voor velen een hoog goed.

Wonen: een zaak van participatie en co-creatie

Wat opvalt is dat de projecten in Trello rond zorg nog niet zo talrijk zijn. ‘Enkel de vraag naar nieuwe woontypologieën is een foute vraag’, vindt Erik Wieërs, architect bij Collectief Noord. ‘Architectuur is contextueel, er is behoefte aan maatwerk.’ Willen we echt goede randvoorwaarden in projecten krijgen rond zorg, dan is een samenspel tussen verschillende partijen nodig. Enerzijds bevraging en inspraak, maar ook structuur en voldoende schaalgrootte. Is zorg en wonen een zaak van bestaande maatschappijen of nieuwe? Zullen we er komen met vele kleinschalige initiatieven? Houdt het ene initiatief voldoende rekening met de andere en behoudt overheid het overzicht over het aanbod?

Recent lazen we dat een burgemeester in het Pajottenland en haar echtgenoot twaalf assistentiewoningen particulier bouwen in het centrum van een deelgemeente. Het is een voorbeeld van particuliere spelers die zich op de zorgmarkt begeven. ’Ons project spreekt een ander publiek aan’, zeggen ze, als naar de vergelijking wordt gevraagd met de serviceflats van het OCMW. Kijken deze bouwheren naar de context, toetsten zij het bestaande aanbod af en lasten zij randvoorwaarden in? Mikken zij op rendement bij bewoners die zolang mogelijk zelfstandig kunnen en willen wonen? Zullen de bewoners huren of kopen? Zijn andere voorzieningen nabij? Verandert dit soort projecten onze visie op wonen?

Inzake zorg en wonen komen we op het terrein van participatie en co-creatie. Een woonnood wordt als het ware ter plekke geboren. Misschien kunnen we verwijzen naar een boek, van Veerle Follens en Conix RDBM architecten: Maatschappelijk verantwoord vastgoed. Strategieën voor duurzame co-creatie (Die Keure, 2014). We konden het zelf niet inkijken. Het werd door Walter Lotens van bewonersvereniging De Ploeg gerecenseerd hier. Een van de conclusies is: wonen moeten we uit een eilanddenken halen. Wonen is meer dan 'één huis voor één gezin'. En dit reikt verder dan al wie vandaag het voorrecht heeft om tussen vier muren te wonen, ooit dacht.

Dieper in zorg: een kleine reeks. Deel 1: inleiding

Er gaat geen dag voorbij, of er verschijnt een artikel in de krant over zorg. Een jonge zorgkundige trekt aan de alarmbel want zij kan niet voldoende tijd besteden aan 'cliënten'. Een gerontologe slaat alarm omdat er te weinig plaatsen in rusthuizen zijn voor zwaar zorgbehoevende ouderen. Er zijn te weinig woningen voor mensen met een beperking, klagen ouders bij de minister. Een partijleider uit de oppositie vindt dat er op 'Dag van de zorg' (18 maart 2017), niets te vieren valt. Hij ziet mensen in de zorgsector zich weliswaar hard inzetten, maar een overheid die zorg niet voldoende goed organiseert. We zijn natuurlijk met zijn allen veel mondiger geworden, kritischer en laten sneller onze stem horen.

In ons land is het nog altijd relatief goed leven. Zorg wordt aangeboden via een sociaal stelsel dat als vangnet kan dienen. Maar de zorgkosten stijgen. Mensen leven langer in de meeste ontwikkelde landen, dankzij een goede levenskwaliteit. De vergrijzing brengt meer zorg en aanpassingen met zich mee. De nood aan intensieve zorg van bijvoorbeeld de alleroudsten neemt toe. Er zijn meer chronisch zieken. Eénouder-gezinnen, die nog zullen toenemen, zijn tevens kwetsbaarder voor armoede. Armoede heeft een impact op zorg. De verzorgende staat moet dus zeker permanent rekening houden met allerlei complexe zorgvragen.

We horen soms dat er niet voldoende aangepaste woningen zouden zijn. We zien dat private bouwondernemingen in het bad van de bouw van zorgwoningen stappen. Er bestaat vandaag zelfs op de luxe van hotels geënte zorg. Voor de één is een rusthuis iets wat zolang mogelijk mag uitgesteld en liefst vermeden; voor de ander is het een geruststelling. De helft van alle Vlamingen rekent erop de oude dag in een verzorgingstehuis te kunnen doorbrengen.

Anders wonen

We hebben het niet niet over de vraag of zorg onbetaalbaar is geworden en of wij een stuk van onze oude dag zelf zullen moeten bekostigen, wel over de relatie tussen zorg en wonen. Zorgvragen schuiven we misschien liever voor ons uit, tot ze zich vanzelf laten stellen. Door een domme kleine val breek je je voet. Een operatie en zes weken plaaster, zonder dat je op je voet mag steunen. Wat als je tijdelijk niet meer de trap op mag? Is er ruimte voor een bed? Kan je je wassen, de deur openen en bewegen in huis, boodschappen aandragen en koken, kortom, kan je het (alleen) redden? Vinden zorgbehoevenden de nodige zorgverstrekkers? Als wij zorg behoeven, komt onze manier van wonen er snel bij kijken.

Begint zorg niet al vroeger, in onze buurten?

Begint zorg niet al vroeger, in onze buurten? Zorg dekt immers een diverse lading. Hoe wonen wij? Kunnen wij wonen en zorgen tegelijk? Kunnen we onze woonvormen niet al wat aanpassen, zodat ‘aangepast wonen’ niet meer hoeft, omdat er al met wat dingen is rekening gehouden? Wat kunnen wij doen? Wat kunnen wij als gewone burger bijdragen tot eerstelijnszorg? Wat is kwaliteit? En hoe gebruiken we daarbij ons gezond verstand?

Misschien is de tijd dat we een heel leven woonden in ons huis als op een eiland,  zonder ons te veel aan te trekken van de omgeving, voorgoed voorbij. Nieuwe bewoners trekken in oude woningen. Het verkeer en de ruimtelijke impact op wonen is toegenomen. We mogen ons meer bewust worden van onze eigen woonvorm en eveneens van de buurt en het samenleven. Hoe beginnen we daaraan en waar wordt dit al toegepast?

De gezonde stad

Recent signaleerden wij een studie over stedelijke voorzieningen voor zorg in Nederland: ‘De Gezonde Stad, Van Cure naar Care. Transities in de gezonde stad Utrecht’ (IABR/UP, 2016). Deze vertrok van de vaststelling dat de Nederlandse overheid de laatste jaren zorg heeft decentraliseerd. Ze stimuleerde dat mensen zo lang mogelijk zouden thuisblijven en een beroep doen op de organisatie van thuis- en mantelzorg in plaats van zorg in woonzorgcentra. Veel had ermee te maken dat de materie werd overgedragen naar lagere bestuursniveaus, zoals steden en gemeenten. Daar zit ook jeugdzorg onder en langdurig zieken. In ons land bestaat die tendens voor bestuursmateries eveneens. Tegelijkertijd ziet Nederland een fusie van zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Als zorg te veel geconcentreerd raakt bij grote spelers, kan dat problemen geven.

Een andere vaststelling was dat in Nederland het gros van de middelen naar de Zorgverzekeringswet en tweedelijnszorg gaat. Relatief weinig middelen gaan er naar eerstelijnszorg, die volgens de onderzoekers nochtans goedkoper is. Tot die eerstelijnszorg behoort preventie. De architecten in deze studie zagen zeker brood in lokale voorzieningen. Wanneer ze wijken in Utrecht onder de loep namen, gaven ze ideeën voor hoe zorg via lokale initiatieven beter kon worden georganiseerd. Ze pleitten voor voldoende collectieve ruimte, ruimte voor sociale initiatieven en voor samenwerking tussen verschillende actoren.

Burgers creëren lokale voorzieningen

Hoewel de overheid in Nederland verregaand voor decentralisering koos en ruimte liet voor particuliere zorgaanbieders, is er ook een tegenbeweging merkbaar. Er gaan klinkende stemmen op dat je zorg niet enkel aan private ondernemingen kan overlaten. ‘In 2006 was er nog de hoop dat verzekeraars zouden concurreren op kwaliteit en vooral ook zouden gaan werken aan programma’s voor preventie’, schreef Eduard Bomhoff, maar dan werd gezien dat er enkel wordt geconcurreerd op prijs. Regel de zorgverzekering per gemeente of regio, is de aanbeveling. Dit wil zeggen dat verzekeraars aan tafel zitten met deze bestuursniveaus. (Eduard Bomhoff, ‘Geen leedvermaak om Trump, ook Nederland worstelt met verbeteren zorgverzekering’, in Het Financieele Dagblad, 1 april 2017, p. 15.) Dat de slinger terugslaat, is in ons land ook iets om mee rekening te houden.

Overheden zijn vragende partij voor initiatief, want zij weten het ook niet altijd allemaal zelf. Zij staan zeker open voor een participerende burger. Initiatief hoeft niet enkel van bouwbedrijven te komen. De Utrechtse studie zag zeker al het bestaan van lokale initiatiefnemers die werken rond een gezonde stad. De burger kan een initiatief schragen en met wat geluk of aandringen aan het juiste loket de nodige ondersteuning vinden. Bij ons maakte Sociaal Huis Mechelen bekend dat het middelen heeft voor initiatieven rond de ondersteuning van mantelzorgers.

Recent was een burger-gedreven initiatief voor het versterken van lokale voorzieningen ook nieuws in Nederland. Burgers uit dorpen blijken zich vaker te verenigingen in coöperaties, die zorg en ondersteuningen willen bieden aan ouderen vlakbij waar zij altijd woonden. Het aantal burgerinitiatieven in Nederland rond deze materie is stijgend: van 210 in 2014 tot 310 in 2016, volgens de Kenniscentra voor langdurige zorg Vilans en Movisie (Marieke ten Katen, ‘Zorgcoöperaties verkennen de wereld van het vastgoed’, Het Financieele Dagblad, 1 maart 2017).

Deze coöperaties bekijken het beheer van zorgwoningen en ondersteunende taken. Zij ondervinden zeker nog hobbels rond financiering en wetgeving, maar raken er vaak uit met de steun van lokale overheden. Als de federale overheid de lokale organisatie van zorg aanmoedigt, dan moeten kleine bestuurseenheden zoals steden en gemeenten die wel opnemen. In dat opzicht biedt dit voor het lokale initiatief een kans, mits de hobbels er met de steun van de overheid ook uit kunnen.

In de volgende 4 berichten kijken wij naar zorg en wonen. Het is de bedoeling verder te kijken dan de ideeën en de expertise. Wie moet met wie samenzitten om verder te komen in mentaliteitswijzigingen en de inburgering van nieuwe woonvormen? Dit was de vraag in het recente boek Verkavelingsverhalen (Mechelen, Public Space, 2016, ISBN 978-9491789137).

Wie moet met wie samenzitten inzake zorg en wonen om verder te gaan dan ideeën en expertise en te komen tot mentaliteitswijzigingen en ingeburgerde nieuwe woonvormen?

Enerzijds kijken we hoe ons wonen zorg beter kan integreren. Vervolgens bekijken wij burgerinitiatieven. We duiken ook weer even terug in Expi, Expo en Expa op onze website, waar initiatieven rond wonen en zorg reeds werden gesignaleerd. Een vzw zoals ‘1Toît2Âges’, die het samenwonen aanmoedigt van een alleenstaande oudere die onderdak verschaft aan een student, is er één van. Deze vzw haalde eergisteren nog in de krant.

Vervolgens brengen we een bijdrage over sociaal wonen, samenwerkingen tussen wonen en zorg en hoe voorzieningen in een wijk ingepast kunnen worden in plaats van geconcentreerd in grote voorzieningen.

En tenslotte spreken we ook met een arts die eerstelijnszorg beoefent in een wijkgezondheidscentrum in Gent. We vragen hem op de man af wat voor soort wonen in zijn ogen het best aansluit bij zorg.