Vibe-congres 10 november 2017: de ruimtelijke ordening van de toekomst (begint vandaag)

2017-07-27 15.56.31.jpg

Het congres van Vibe vzw vond afgelopen vrijdag plaats in Antwerpen. Wie slim was, kwam volgens het STOP-principe (stappen, trappen, openbaar vervoer, en dan pas de auto). Ook binnen Den Bell wisselden deelnemers via de trap af tussen het auditorium op de derde verdieping en het atrium op de eerste verdieping en kregen daardoor aardig wat beweging. Het thema was de ruimtelijke ordening van de toekomst. Een toekomst die gerust vandaag mag starten. Vandaag, 16 november 2017, publiceerde Vibe een eigen verslag met foto's hier.

Team Vlaams Bouwmeester-film “Plannen voor plaats”(2017)

De dag startte met het bekijken van de film Plannen voor plaats (2017). Die werd gemaakt door Nic Balthazar in opdracht voor Team Vlaams Bouwmeester. Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck gaf in het voorbije jaar tegen een verschroeiend tempo lezingen in steden en gemeenten om zijn boodschap uit te dragen. De film wordt een soort "draagbare Leo Van Broeck". Ook Joachim Declerck van Architecture Workroom kwam aan het woord.. We hoorden Leo Van Broeck "on the road" eind 2016 en schreven er al eerder over in dit blog.

De bouwmeester gaat veel breder dan kwalitatief bouwen. Zijn boodschap is urgent. Het gaat om onze voetafdruk, ons ruimtegebruik op deze planeet. Dat we dit, in het antropoceen, doen met respect voor de planeet. Doen we dit niet, dan komt onze overleving zelf in het gevaar. Wie over die urgentie wil lezen, kan terecht in het kleine boekje van Roy Scranton, Learning to Die in the Anthropocene (City Light Books, 2015).

De documentaire moet die boodschap nog meer verspreiden. De film komt op de televisie, is open source en op eenvoudig verzoek te krijgen bij Team Vlaams Bouwmeester. Het loont de moeite dat elk kind, elke burger en elke organisatie met de vraag kennis maakt: willen wij verder met de hoge kost van ons ruimtegebruik in Vlaanderen? En handelt.

Eén burgemeester van een landelijk dorp stelde op het congres vast dat zijn gemeente 350 kilometer wegen telt voor de (zeer verspreid wonende) bewoners. Hij trekt aan de alarmbel: iedereen staat te springen om zijn gemeente te verdichten (verappartementisering!), maar niemand (geen enkele ontwikkelaar) helpt hem om open ruimte te vrijwaren. Het begint bij bewustwording, die ons handelen moet sturen op elk lokaal vlak.

Na de film was er een debat. Nic Balthazar trad op als moderator. Sprekers waren Peter Vanden Abeele, bouwmeester van de Stad Gent, Jean-Paul Close van Stad van morgen en AiREAS (Eindhoven), Luc Eeckhout van evr-Architecten en docent (tevens plaatsvervanger die dag van Leo Van Broeck die —o ironie, er niet geraakte wegens een minder snelle treinverbinding tussen Leuven en Antwerpen en file), en Alex Verhoeven, directeur ruimte van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG).

Na de middag ging Erik Grietens, specialist ruimtelijke ordening Bond Beter Leefmilieu door de -hopelijk tot een klassieker wordende- brochure ‘Recepten voor kernversterking’, in mei 2016 gepubliceerd door de provincie Vlaams-Brabant (deze zomer hier belicht). De brochure geeft elk bestuur houvast rond kwaliteit van de open en de bebouwde ruimte. De deelnemers kregen ook de Vibe-folder Ecopolis-trajectbegeleiding. Samenwerken aan duurzame wijken, dorpen en steden, en de brochure De toekomst in lokale handen. Inspiratieboek voor een duurzaam lokaal beleid van Bond Beter Leefmilieu (september 2017), allemaal opvraagbaar. De dag eindigde met een participatieronde voor iedereen, volgens thema's, waar ook onder andere Steven Vromman van Labland mee voor aan tafel zat (excuus als we hier namen vergeten). Er was mooie aanwezigheid vanwege verschillende Vlaamse gemeentebesturen.

Wonen op mensenmaat

Over een kwalitatieve open en bebouwde ruimte wordt volgens sommige deelnemers al zeker 20 jaar gesproken. Vandaag leidt het woord "betonstop" een kwalijk (?) eigen leven en en spreekt de overheid over "verdichting" en "kernversterking". Wordt vandaag alles anders?      
Jean-Paul Close bracht in Eindhoven meer dan duizend mensen vanuit sociale integratie op de been rond het thema “Stad van morgen”. Deze beweging wil zien dat het beleid keuzes op  bredere basis maakt dan enkel economische argumenten. Het gaat om “wij-denken”, niet een individualistisch “ik-denken”. Het gaat om de commons, de gemeenschap en om menselijke waarden: gezondheid en zorg, betaalbare huisvesting, lokale voeding, kwaliteit van lucht en water, energie, verbinding en respect voor elkaar. De “Stad van morgen” (die ook al vandaag mag aankomen) is een mensenstad voor mensen gemaakt door stadsmeesters en mensen, vanuit bewustwording en samenwerking. Langzame mobiliteit nodigt veel meer uit tot sociale interactie dan de auto.

“Stads-niets-bouwers”

 Wonen is niet enkel een vraagstuk van verdichting of kernversterking, volgens Gents stadsbouwmeester Peter Vanden Abeele. Het draait ook om kwaliteit. Bovendien kan ruimte scheppen voor wonen ook betekenen: ruimte vrij houden om niet te bouwen. Vrije ruimte voor recreatie is in een stad niet evident. Wie dat bewaakt, wordt evengoed een “stads-niets-bouwer”. Een stadsbouwmeester verbindt, voert gesprekken met mensen en zorgt voor een maatschappelijk draagvlak voor ingrepen in die ruimte.
Te voet naar zijn werk stappend komt Luc Eeckhout in Gent bitter weinig mensen tegen. Terwijl werken waar je woont en omgekeerd wel een belangrijke stelregel kan zijn. Vandaag missen we in steden voldoende lokaal leven, of dit nu om wonen (leegstand boven winkels), werken of voedseltoevoer gaat. Een tomaat van bij ons of een tomaat van hier? Wat voeren wij uit? Breng overal leegstand in omloop. In het hart van de stad liggen veel antwoorden. Joachim Declerck heeft het daar ook over in de film.

Er is niet één toolbox

Alex Verhoeven meldde dat de VVSG ook een boekje heeft over verdichting. Dit kan de discussie voeden. Het is de verdienste van de Vlaams bouwmeester dat hij ruimte op de agenda plaatst. Wel is nog niet iedereen mee en een “big bang” is niet te verwachten. Het gaat ook om gemeenten, met een andere problematiek dan steden. Er zijn er meer dan 300 van in Vlaanderen. In steden en gemeenten de fysieke context telkens anders. Er is dus niet één toolbox. Sommige gemeenten hebben koudwatervrees, andere kloppen aan bij Team Vlaams Bouwmeester om ermee aan de slag te gaan. Laat ons nog beter aan steden en gemeenten uitleggen wat de meerwaarde is van goede ruimtelijke ordening en ontwikkeling.

Geen verdichting zonder maatschappelijke meerwaarde

Zijn er te weinig of te veel regels? Zonder regels kan het echt niet, vonden vele aanwezigen. Soms moet je normering loslaten, als ze vernieuwing in de weg staat. Een goed geleide, luwe regelomgeving kan experiment toelaten. Vlaanderen laat dit toe voor ontwikkeling van brownfields. Peter Vanden Abeele waarschuwde voor “verdichting om verdichting”. Verdichting is een systeemmeerwaarde. Die moet ook nog aangevuld worden door maatschappelijke meerwaarde. De leuze zou moeten zijn: “geen ontwikkeling zonder lokale meerwaarde voor de buurt”. Maakt dit tot richtlijn. Het is opletten voor “verappartementisering”. Opletten dat ruimte, die reeds in particuliere handen is, niet een tweede keer wordt verkocht dankzij verdichting. Particuliere bouwontwikkelaars kunnen toch niet zomaar kernen volproppen en problemen op de gemeenschap afwentelen? Door mensen in een wijk te proppen komt de bakker niet zomaar terug. We moeten andere mechanismen zoeken. Zoniet, voeren we beter een echte betonstop in, tot de kwaliteit er is.

Slapeloos door planschade

Alex Verhoeven vroeg aandacht voor en steun van de lokale ambtenaar, op wie veel afkomt (druk van partijen met belangen). Enkelen van hen verzuchtten die dag hoe complex de ruimtelijke materie soms is. Beleidsmensen slapen er niet van, uit angst de verkeerde pennentrek te zetten voor de volgende 50 jaar. Projectregisseurs en projectteams kunnen helpen. Lokale besturen hebben evenzeer nood aan ondersteuning. Kan de hogere overheid steun bieden?

Hoe omgaan met planschade? Hoe de regels communiceren? Halen burgemeesters de volgende verkiezingen wanneer ze maatregelen nemen die “onpopulair” zijn? Niet goed begrepen? Sijpelt dit soort kennis en begrip door? Wat is nodig voor die mentaliteitswijziging? Verandering op een aantal vlakken tegelijk, ook fiscaal.

Hier moesten wij (in een persoonlijke zijsprong na het congres) denken aan een voorstel uit de advocatuur, een beroep belaagd door digitale disruptie. In een krantenbijlage (Legal Success van Smart Media, november 2017), opperde Allen & Overy-partner Wim Dejonghe het idee om juridische vragen die steeds terugkomen te standaardiseren via een app. Waarom niet, waar mogelijk, standaardisering invoeren tussen kleine beleidsniveaus, ten voordele van schepenen en gemeentepersoneel dat inzake omgeving en ruimte niet altijd de gespecialiseerde kennis bezit? Kan dit helpen? De druk op (fout) ruimtegebruik zit vaak lokaal. Dit toonde een week later het nieuws rond het casino in Middelkerke, waar huiswerk dient overgemaakt.

Een heel progressief raamwerk is voor architecten en stedenbouwkundigen dankbaar om in te werken, zei Luc Eeckhout. Dit gebeurt gemakkelijker wanneer overheden grondeigenaar zijn. Er bestaan mechanismen zoals erfpacht en recht van opstal. Ze staan beschreven in “Recepten voor kernversterking”. Vandaag hebben nog al te veel ontwikkelaars vrij spel. Zonder enige randvoorwaarde, zonder maatschappelijke meerwaarde. Er is nood aan progressieve opdrachtgevers die kijken naar positieve impact. Blijf als bestuur die kwaliteit afdwingen en vragen, zei Peter Vanden Abeele.  

Honoreer geen cement, honoreer de open ruimte

Het wordt tijd dat we de open ruimte, die enorm waardevol is, in ons waardemodel steken, vonden Jean-Paul Close en Alex Verhoeven (Een week later ligt een grote cementproducent onder vuur voor leveringen in oorlogsgebied). De doorsnee particuliere eigenaar moet inzien dat vrije en van bouwen gevrijwaarde ruimte even waardevol is. Dit wordt vandaag niet gehonoreerd. Beseffen wij voldoende dat aantrekkelijk wonen, volgens de juiste waarden gedreven, steden aantrekkelijk kan maken en industrieën kan hier houden? Alleen al wegens de schone lucht gebeurt het dat bedrijven niet de wijk nemen naar China. We mogen niet bang zijn om de lat veel hoger te leggen, zei Luc Eeckhout. Daar komen hele goede projecten uit die bovendien veel minder kostelijk zijn.

Woning kopen: economisch houdbaar?

Een woning kopen wordt onbetaalbaar. Jongeren werken er een groot deel van hun leven voor en lopen aan het handje van banken. Huren wordt niet voldoende gewaardeerd in Vlaanderen. De bijklank is “sociaal” en “kwetsbaar”. Dat is in het buitenland anders. De financiering ervan zit in Vlaanderen ook niet goed. Sociale woningbouw is verder heel duur. Aan de loodzware lastenboeken schort ook wat. Hoe kan huren even aantrekkelijk worden voor de gewone burger? De baksteen in de maag geraakte er decennia geleden in; die geraakt er toch ook weer uit. Het model is niet houdbaar op termijn. We zien er economisch nu al de uitwassen van.

Wonen als dienst

Als wij wonen nu eens als woonrecht gaan zien, en het wonen in een deelsysteem zetten, opperde Peter Vanden Abeele. Wonen als dienst, niet zoals mobiliteit als dienst. Dit laatste is in ontwikkeling. Steden kunnen pionieren inzake woonaanbod gebaseerd op woonrecht. Voor sociaal kwetsbare groepen wordt dit vandaag in Gent en Antwerpen al uitgetest. Waarom zet een stadsontwikkelingsbedrijf vandaag alleen in op koop en niet op huur? Kunnen wij afstappen van “mijn huis, mijn pensioen”? Wij Vlamingen, bij de grootste particuliere grondeigenaars in Europa? Kan daar iets anders tegenover staan?

Er is wel degelijk momentum

Goed nieuws voor overheden: het gaat er niet enkel om, een ruimtelijk beleid van boven naar beneden door te duwen en het draait ook niet om een paar kleine initiatieven die de kop opsteken. Zo komen we er niet, meent Peter Vanden Abeele. Wel ziet hij vandaag een goede “middenruimte” van burgers die mentaliteit klaar zijn voor verandering. Zo kan een interessante coalitie gesmeed worden tussen verschillende niveaus. Burgers staan soms mentaal al veel verder dan politici denken. Ondanks het bestaan van voldoende hindernissen zou dit een bemoedigend slotwoord moeten zijn voor wie de sleutels voor ruimtelijke ordening in handen heeft.

Wonen: het draait heus wel om het juiste aanbod

DSC_2360.JPG

Na een week van felle regens scheen de zon in C-Mine Genk op zondag 10 september, toen Peggy Totté (Architectuurwijzer) en Annette Becker (curator DAM Frankfurt) de tentoonstelling AT Home. Building and Living in Communities openden. Nog tot 20 oktober 2017 zijn inspirerende bouwprojecten uit niet-klassieke ontwikkeing, zoals Baugruppen (bouwherengroepen), Genossenschaften en coöperaties te zien.

Op woensdag 11 oktober van 13.00-17.00 vindt in C-Mine ook nog een Expertengesprek plaats rond coöperatief wonen. Gaan in gesprek: Miroslav Sik (architect voor bouwgroepen, Zürich), Ninke Happel (architecte, Rotterdams woongenootschap), Soetkin Goris en Tom Lagast, die het project Bijgaardehof begeleiden in Gent, en Anne Malliet (Team Vlaams Bouwmeester). ’s Avonds om 20.15u geeft de Zwitserse architect Miroslav Sik de lezing 'Dichter wonen in dorpen' (mooie voorbeelden van niet-stedelijk collectiever wonen!).

Het is altijd prettig om naar C-Mine te komen. Zeker nu blijkt dat Genk, nochtans wat minder goed door de trein ontsloten dan Hasselt, het beter doet wat een woningaanbod sturen betreft dan Hasselt. Dit volgens één jonge bezoeker, die op de opening vertelde dat het onmogelijk was in Hasselt een betaalbaar woningaanbod te vinden.

De jonge bezoeker vertelde dat het Hasseltse woningaanbod, waar hij graag iets zou kopen,  ‘niet is weggelegd voor jonge mensen met jobs’, ‘zelfs niet voor tweeverdieners’. Anderen zoals hij waren in het zelfde schuitje, en hij was naarstig op de opening van At Home op zoek naar mensen die hem konden helpen. Deze vraag draait rond betaalbaar wonen via koop op een krappe markt.

Het gaat hier om het aanbod in een kleinere stad, snel omgeven door een plattelandse omgeving die voor dit soort bewoner niet meer meetelt in de vraag. Die goede verdiener wil wel in de stad wil wonen. En in het geval van Hasselt, een bestuur - we drukken ons voorzichtig uit, maar we vernamen het van deze jongeman - dat te weinig aandacht heeft voor deze woonnoden. Welke steden vergelijkbaar met Hasselt doen beter? Wij denken aan bijvoorbeeld Kortrijk en Genk.

In België gebeurt 1/5 van de immobiliaire aankopen door beleggers (in het geval van nieuwbouw: 50%)

Woningzoeker versus belegger

Waarom ligt de markt in een stad als Hasselt zo krap? Deze jonge woningzoekers moeten opboksen tegen beleggers. In een periode van lage rente brengen spaarboekjes niet veel op. Mensen met centen gaan nog niet massaal over tot het beleggen in aandelen. Dan maar in de aloude baksteen. Het rendement zou schommelen rond de 3%, al droomt de Belg die rendementen een pak hoger (5-8%).

In België is wonen niet enkel een zaak van de particulier versus de markt, maar ook van de belegger versus de markt. Wonen zit in België in het kamp van investeerders en beleggers: studentenkoten, rusthuizen, kantoren, nieuwbouwappartementen. Eén aankoop op vijf van onroerend goed in België is een belegging. Voor nieuwbouw stijgt dit getal naar de helft (50%)! Een tiental jaar geleden lag dit cijfer voor nieuwbouw in aankoop door beleggers nog op 10%. Kenners menen dat de greep van investeerders op de woonmarkt nog kan stijgen.

De beleggers gaan niet zelf in hun aankoop wonen, maar zetten het goed te huur. Het ontlokte één oudere belegger, de trotse bezitter van vijf onroerende goederen, de opmerking: zo zorg ik tenminste voor bewoning voor hen die zich geen aankoop kunnen veroorloven. Huur is echter niet waar deze specifieke jonge professional met een woonwens in Hasselt naar op zoek was.

Waar zullen deze beleggers die huurders vinden? Huur versus koop is cultureel bepaald. In Duitsland bedraagt huur versus koop 50%-50%, in België zakt (buiten Brussel) het cijfer voor huur versus koop naar een verhouding 30%-70%. De Belg heeft dus nog steeds de baksteen in de maag.

Het gaat in se om betaalbaar wonen.

De rol van overheden

Peggy Totté zei het al laatst in het interview: de rol van lokale overheden is belangrijk voor wonen. Steden kunnen het woonbeleid mee bepalen. Dit zijn niet Peggy’s woorden, maar de onze: ze kunnen er met andere woorden voor zorgen dat de belegger niet altijd wint. De ene stad is misschien al meer ontvankelijk voor institutionele woonpartijen dan andere.

We kunnen wellicht wat leren uit de sturende rol die voor niet-klassieke projectontwikkelingen buitenlandse overheden spelen (uit het interview met Peggy Totté op ons blog, 27 augustus):

Steden als Hamburg en Freiburg voeren een collectief grondbeleid. Zij reserveren een groot deel van hun grond voor collectief bouwen. Ze verkopen tegen een vaste grondprijs en geven langere termijnen om een gemeenschap op te richten. Steden ondersteunen er met hun beleid de Baugruppen/bouwherengroepen. In Vlaanderen gebeurt dit vandaag nog niet. Wil cohousing slagkracht krijgen, dan moeten steden dat met hun beleid ondersteunen.

Waarom kunnen overheden hier het grondbeleid niet steunen en sturen? Het hoeft in se nog niet eens te gaan om collectieve woonvormen in de betekenis van coöperaties. Wanneer echter het krappe aanbod jonge verdieners niet meer bereikt, zullen we zulke formules misschien toch wat vaker moeten uitproberen in Vlaanderen. Het gaat dan nog niet eens om een heel gerichte (volgens sommige ideologische) keuze als voor cohousing, maar om via de coöperatie de beslissing en de waarde bij een collectief van eigenaars te leggen. Benieuwd zijn we alvast wat het expertengesprek van 11 oktober ons hierover verder leert.

Het hoeft ook niet te gaan om kippenhokken van 30 vierkante meter, zoals de Nederlander Kevin Levie op Medium hekelde op 16 september. Levie maakt zich ongerust over het bouwen, op basis van die veronderstelling, in grote steden van ‘co-living spaces’, ‘friends-appartementen’ en ‘micro-woningen van dertig vierkante meter’. Terecht doorprikt Levie het geloof van ondernemingen dat dit een correcte vraag zou zijn van millennials. Een vraag die (sarcastisch bedoeld)  ‘heus niets te maken heeft met woningnood en hoge huren, maar komt omdat millennials simpelweg niets liever willen dan hun wasmachine delen met 100 anderen.’

In Brussel gaf een recente woningpeiling van SLRB en UCL aan dat de gemiddelde gehuurde oppervlakte wel degelijk kleiner wordt. Was die nog 80 m2 in 2015, dan bedraagt die gemiddeld in 2017 nog 76 m2. Ontwikkelaars kiezen veelal voor de kleinere oppervlakte, omdat dit voor een snelle rotatie zorgt. Kleine belegger, kleine oppervlakte. Het goed is zo uit de markt. Ontwikkelaars die grotere appartementen ontwikkelen weten dat de commercialisering wat langer zal duren, maar voor hen is het een bewustere keuze. Net als Levie willen we een juiste voorstelling zien. Het draait wel degelijk om woningnood.

Willen we naar een algehele collectiviteit? Verre van. De rol van immobiliënmaatschappijen is niet uitgespeeld. Vele maatschappijen doen zelf aan projectontwikkeling. De wenk hier is dat zij in een vroeg stadium de woonwensen opmeten van jonge verdieners zoals deze Hasseltse woonzoeker. Dat gebeurt vaker niet dan wel. Die gegevens zouden ze van een stad of gemeente moeten verkrijgen, omdat die stad of gemeente de vinger aan de pols heeft over vragen zoals van deze woonzoeker. We halen tenslotte nog eens de woorden aan van Veronique Claessens van ruimtelijke ordening Genk: het gaat in se om betaalbaar wonen.

DSC_2368.JPG

De pret van een verkaveling zonder het ruimtebeslag: Expo C-Mine Genk geeft inspiratie

Hamburg, Neue Hamburg Terrassen (Foto: Julien Lanoo)

Hamburg, Neue Hamburg Terrassen (Foto: Julien Lanoo)

10_poster AW_lage resolutie.jpg

Staan wij er voldoende bij stil? Woonruimte is op onze aarde duur en een schaars goed. En wij leven op te grote voet. Dichter bij elkaar wonen helpt onze voetafdruk te verkleinen. Hoe pakken wij in Vlaanderen in de komende jaren verdichting aan? Hoe zorgen we dat wonen betaalbaar blijft? Is de niet-klassieke bouwpromotie of collectief bouwen mogelijk bij ons?

Architectuurwijzer vzw uit Genk haalt de tentoonstelling AT Home. Building and Living in Communities naar België. Die is het resultaat van 1,5 jaar onderzoek door DAM (Deutsches Architekturmuseum Frankfurt am Main) naar collectieve bouwprojecten in Europa.

Geen klassieke projectontwikkelingen, maar door Baugruppen, Baugemeinschaften, Bau- und Wohngenossenschaften (bouwgroepen, bouwgemeenschappen en coöperatieven). De foto's in bijlage slaan allemaal op niet-klassieke projecten en tonen dat prettig wonen kan.

In collectieve bouwprojecten is de individuele ruimte misschien beperkter, maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door een zeer aantrekkelijke buitenruimte en andere gemeenschappelijke voorzieningen. De tentoonstelling belicht 22 projecten van een architecturaal hoge kwaliteit. Ze hebben een hoge graad aan collectiviteit en aantrekkelijkheid. Ze worden belicht via maquettes, foto’s, plannen en fiches. Bij de tentoonstelling hoort ook een tweetalig boek (Duits-Engels). Verder zit in de tentoonstelling een ‘bibliotheek’ verwerkt van ca. 60 raadpleegbare projecten die nog om andere redenen interessant zijn, bijvoorbeeld wegens de procesvoering of het bouwen.

DAM had een tweede doelstelling: naast de inventarisering van collectieve bouwprojecten in Europa een interdisciplinair netwerk in het leven roepen rond deze materie met architecten, overheden, onderzoekers, ontwikkelaars. Architectuurwijzer hoopt een soortgelijk netwerk in Vlaanderen van de grond krijgen. Zij hopen alleszins verenigingen, overheden, onderzoekers, politici, ontwikkelaars maar ook gewone burgers te bereiken.

Het jaarthema van Architectuurwijzer is Dichter wonen en collectief bouwen. Daarmee sluit de vzw aan bij de doelstelling van verdichting in het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en die door de Vlaams Bouwmeester wordt gepromoot. Hoe pakken wij in Vlaanderen in de komende jaren die verdichting aan? Hoe zorgen we dat zij betaalbaar blijft? Over deze tentoonstelling spraken we met architect-stedenbouwkundige Peggy Totté, projectleider binnen Architectuurwijzer vzw.

Wat is er interessant aan deze Duitse tentoonstelling voor Vlaanderen?

Peggy Totté: Architectuurwijzer wil in en vanuit de provincie Limburg mee richting geven aan kwaliteit in architectuur. Deze tentoonstelling toont kwalitatieve architectuur van een bijzondere soort. Ze belicht op een uitstekende manier elementen die in de klassieke bouwontwikkeling vaak niet aanwezig zijn. De projecten die we tonen laten zien hoe kwalitatief dichter op elkaar wonen kan zijn. Als we kleiner wonen, dan moet het ook plezanter worden, zegt Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck. Er moet een hoge pretfactor in zitten. In dichter wonen moet je dingen kunnen doen die je in een verkaveling ook kan. Het afspuiten van een mountainbike moet daar ook in kunnen.

Als we kleiner wonen, dan moet het ook plezanter worden.

Ook interessant is dat de voorbeelden meestal om gestapeld wonen gaan. Deze projecten zijn vergelijkbaar met de co-housingprojecten in Vlaanderen, maar meestal hebben die laatste toch nog ergens het ruimtelijk beslag van een verkaveling, en dus niet zo’n hoge dichtheid. Bovendien zitten in deze expo goede ideeën die voor landelijke kernen interessant kunnen zijn, maar evengoed voor de renovatie van verouderde woonblokken.   

Hannover, Umbau Südstadtschule (Foto: Olaf Mahlstedt)

Hannover, Umbau Südstadtschule (Foto: Olaf Mahlstedt)

Deze tentoonstelling belicht op een uitstekende manier elementen die in de klassieke bouwontwikkeling vaak niet aanwezig zijn. Buitenruimte ontwerpen als het verlengde van binnenruimte. Dat is ongezien bij ons.

Geef eens een paar pretfactoren?

De appartementen zijn kleiner dan wat wij gewend zijn, maar het ruimtetekort wordt op een andere manier gecompenseerd. Brede en goed verlichte trap- en inkomhallen die een meer sociale functie vervullen. Die ruimte wordt benut en gezien als het verlengde van de appartementen. Dat is ongezien bij ons. Er staan dingen: planten of een hometrainer. Naast kwalitatieve terrassen is in elk project ook vaak een grotere gemeenschappelijke tuin of andere collectieve buitenruimte.

München, Wagnis 3 (Foto: Hermann Wittekopf)

München, Wagnis 3 (Foto: Hermann Wittekopf)

Foto: Architekturbüro Sik, Haus B, Hunziker Areal, Zürich voor mehr als wohnen: goed verlichte hallen voor eventueel recreatieve functies (planten, hometrainer)

Foto: Architekturbüro Sik, Haus B, Hunziker Areal, Zürich voor mehr als wohnen: goed verlichte hallen voor eventueel recreatieve functies (planten, hometrainer)

Er wordt goed over alles nagedacht. Dit staat tegenover klassieke projecten met kleine en minimale terrassen, waar enkel de afvalbak op past. Er is extra speelruimte. Kinderen kunnen in deze vormen van gestapeld wonen net zo goed spelen zoals in een verkaveling. Er is soms gezamenlijke ruimte voor recreatie, of een gezamenlijke moestuin. Het dakterras is haast altijd collectief toegankelijk, terwijl dit bij ons -in een klassieke ontwikkeling- eerder zal voorbehouden zijn voor een exclusieve loft.

Het gaat om andere ontwikkelingsmodellen?

In de tentoonstelling komen drie modellen aan bod: Baugruppen of bouwgroepenmodel, Genossenschaft of coöperatief model, en het investeringsmodel. Vooral de bouwgroepen en de coöperatieven komen sterk aan bod, maar zijn bij ons net minder courant. Deze modellen zijn vaak ook het logische gevolg van hun specifieke context. De Baugruppen, zoals Florian Köhl aangaf, zijn ontstaan op het einde van de woelige jaren 1990 na het vallen van de Berlijnse muur. 

In Zwitserland en Oostenrijk is de coöperatie op alle vlakken sterk ingeburgerd.

In Zwitserland en Oostenrijk stappen mensen sneller mee in een Genossenschaft en is de coöperatie op alle vlakken sterk ingeburgerd. In België kopen wij liever onze kavel van een ontwikkelaar of bouwen we zelf. Op deze nieuwe vormen gaan wij dieper in op onze studiedag van 11 oktober, waar buitenlandse architecten aan het woord zijn. Eén project bij ons, Bijgaardehof in Gent, wordt erbij betrokken om te zien welke de verschillen zijn.

Gent, Bijgaardehof, masterplan (Foto: Bogdan & Van Broeck)

Gent, Bijgaardehof, masterplan (Foto: Bogdan & Van Broeck)

Annette Becker, de curator van DAM, komt op 10 september naar C-Mine. Op 11 oktober heb je sprekers zoals architect Miroslav Sik. Wat deed hij in Zürich?

Architekturbüro Sik, Haus K, Hunziker Areal, Zürich voor mehr als wohnen: haast professionele wasplaatsen, goed verlichte hallen

Architekturbüro Sik, Haus K, Hunziker Areal, Zürich voor mehr als wohnen: haast professionele wasplaatsen, goed verlichte hallen

Mehr als wohnen in Zürich is één van de grootste projecten van Genossenschaften, gerealiseerd naar aanleiding van 100 jaar Genossenschaften door een aantal grote Zwitserse wooncoöperaties samen. Miroslav Sik realiseerde daar twee gebouwen van. Hij maakt mooie gebouwen en heeft een visie. Hij ontwerpt een traphal als een interne straat, met niet enkel de voordeur, maar ook een raam van elk appartement. Er zijn gemeenschappelijke, bijna professionele, wasruimtes voorzien, alsook ruime fietsenstallingen. Er zitten ook clusterappartementen in waar mensen ‘echt’ samenwonen, maar uiteindelijk is dit beperkt tot 1-2 verdiepingen van een gebouw en zitten er vooral ook veel appartementen op maat van een gezin. Wij kunnen daar uithalen wat voor ons hier kan werken.  

Architekturbüro Sik, Haus K, Hunziker Areal Zürich voor mehr als wohnen: een echte verbinding tussen woning en hal

Architekturbüro Sik, Haus K, Hunziker Areal Zürich voor mehr als wohnen: een echte verbinding tussen woning en hal

Wie moet deze tentoonstelling zeker zien?

De lokale overheden zijn een heel belangrijke doelgroep, die we zowel via de stad Genk als provincies, VRP en VVSG trachten te bereiken. Steden én gemeenten kunnen uit deze tentoonstelling enorm veel inspiratie halen, maar ook van hun koudwatervrees verlost worden. De meeste projecten tonen hoe belangrijk de ondersteuning vanuit de lokale overheid is. Steden als Hamburg en Freiburg zijn de voorbeelden van een sterk collectief grondbeleid. Zij reserveren een groot deel van hun grond voor collectief bouwen. Ze verkopen tegen een vaste grondprijs en geven langere termijnen om een gemeenschap op te richten. Steden ondersteunen er met hun beleid de bouwgroepen.

In Vlaanderen gebeurt dit vandaag nog te beperkt. Bijgaardehof wordt wel getrokken door SO Gent,en in Leuven is het project Wisselspoor in wording. Maar vele andere co-housingprojecten in Vlaanderen groeien enkel van onderuit, gesteund door één of meerdere experten. En vaak hebben zij nog de lokale overheid te overtuigen van hun goede intenties en haalbaarheid. In een vervolgtraject wil Architectuurwijzer hier volgend jaar zeker dieper op ingaan: wat is de rol van de lokale overheid?

Immobiliënmaatschappijen doen zelf aan projectontwikkeling. Hebben zij iets aan dit derde spoor uit de tentoonstelling?

Het investeringsmodel is beperkt tot twee voorbeelden. In het project Tila in Helsinki bouwde de ontwikkelaar een cascostructuur met units die allemaal dubbel zo hoog zijn, doorzon-appartementen. Als eigenaar koop je de casco unit en daarna doe je zelf je invulling. De ontwikkelaar verdient dan wel niet meer op de tegels die je kiest. Maar Tila toont wel mooi dat een samenwerking mogelijk is. Dit vormt een interessant voorbeeld van collectief bouwen, wat we ook haalbaar achten in Vlaanderen, en zeker verder willen bekijken. Want de vastgoedmarkt blijft. Niet iedereen gaat ineens zelf in een Baugruppe werken, we moeten ook daar proberen een andere aanpak in te krijgen.

Helsinki, Tila (Foto: Stefan Bremer): doorzon-units met dubbele hoogte, casco opgeleverd

Helsinki, Tila (Foto: Stefan Bremer): doorzon-units met dubbele hoogte, casco opgeleverd

Een ander interessant voorbeeld (buiten de tentoonstelling) vormt een Bijlmerflat die dit jaar de Mies van der Rohe-prijs 2017 won: de Kleiburgflat in Amsterdam. Het was één van de laatste Bijlmerflats, die ze bijna hebben afgebroken, maar dan toch niet (00.33). Een private ontwikkelaar maakte van het gebouw opnieuw een grote goeie casco. De Amsterdammers konden tegen een hele schappelijke prijs aankopen, bijvoorbeeld 60.000 EUR per unit, afhankelijk van hoe groot ze was. En dat werden dan de klushuizen.

Amsterdam: Kleiburgflats (Foto: Marcel van der Burg): gebouw tot goede casco renoveren, eigenaars kopen tegen schappelijke prijs en richten flat verder in (klushuizen)

Amsterdam: Kleiburgflats (Foto: Marcel van der Burg): gebouw tot goede casco renoveren, eigenaars kopen tegen schappelijke prijs en richten flat verder in (klushuizen)

Een vroeger voorbeeld van klushuizen vind je in Rotterdam rond het Wallisblok. Het was een bouwblok waar ze niks meer mee konden. Verouderd, op het punt te worden afgebroken. Al die woningen werden tegen één symbolische euro te koop gesteld.  Daar is een gigantisch publiek op afgekomen. De voorwaarde was dat je de woning zelf in orde moest brengen. Mensen hebben een huis gekregen en zijn het gaan verbouwen. Hier is de term klushuizen ontstaan. Ook dit project willen we volgend jaar verder bekijken.

Het investeerdersmodel is nog niet uitgebreid toegepast in Vlaanderen en Europa, maar vormt zeker een interessante piste. Een investeerder heeft altijd nog wel een rol te spelen. Vandaag werken zij volgens een ‘supermarktmodel’, dit wil zeggen, ze bouwen appartementen, en huisjes, en de klanten kopen deze producten kant en klaar. In het een nieuw model van collectief bouwen en wonen zitten investeerders vroeger samen met de bewoners om bijvoorbeeld alle noden en wensen te belichten.

Vandaag werken investeerders volgens een ‘supermarktmodel’: appartementen, en huisjes bouwen en de klanten kopen deze producten kant en klaar. In collectief bouwen zitten investeerders en bewoners sneller samen.

Kunnen andere bouwvormen ingang vinden in Vlaanderen?

Wij zullen moeten zoeken wat typisch is in Vlaanderen. Waar kunnen wij op inpikken? Dan komen we bij de individualiteit, dat een heel belangrijk gegeven is en er zeker in moet, maar vooral komen we uit bij een doe-het-zelf-cultuur. De baksteen in de maag. Dan geloof ik wel sterk in het model van de klushuizen, in Rotterdam gepionierd. In plaats van een kavel koop je kubieke meter en daarin doe je je eigen ding.

Jullie letten op de vertaling naar Vlaanderen?

Het programma onze lezingenmiddag van 11 oktober heeft twee delen. In de namiddag gaat het om coöperatieve woonvormen en 's avonds geeft Miroslav Sik een lezing over Dichter wonen in kleinschalige dorpen. Dit gaat om kleinschalige appartementjes in zo’n typisch Zwitsers dorp. Dit kunnen we ook op Vlaanderen toepassen.

Kunnen immobiliënmaatschappijen niet opwerpen dat ze aan bepaalde aspecten niet meer zullen verdienen, dat het tijdrovend zal zijn? Hoe krijg je hen mee?

Een belangrijke vraag. Hoe krijgen we de overheden mee, hoe krijgen we de ontwikkelaars mee in zulke modellen? Dat moeten we zeker verder bekijken. En wij zijn niet alleen zoekende, ook sommige projectontwikkelaars beginnen er over na te denken.

Berlijn, R 50 (Foto: Andrew Alberts): gemeenschappelijke ruimte

Berlijn, R 50 (Foto: Andrew Alberts): gemeenschappelijke ruimte

Berlijn, Spreefeld (BARarchitekten - Foto: Ute Zscharnt)

Berlijn, Spreefeld (BARarchitekten - Foto: Ute Zscharnt)

Uit het experiment van Rotterdam met het Wallisblok spreekt anders een enorme nood aan betaalbare bewoning?

Absoluut. De Vlaamse overheid, samen met de steden en gemeenten, moet daar op één of andere manier stimuleren. Dat is wat ze in Freiburg en Hamburg met de Baugruppen doen. Dat is vaak ook een ambitie geweest van de Baugruppen: we gaan samen bouwen, dan kunnen we kosten delen.

Mensen schrikken wanneer je spreekt over collectief wonen, omdat ze enkel denken aan cohousingprojecten. Zelf spreken wij daarom over collectief bouwen, wat meer variatie toelaat. In deze vorm kunnen ook architecten mee nadenken over toekomstige collectieve bouwprojecten en inspiratie halen uit onze tentoonstelling. Tevens willen we onderzoeken waarom er niet meer coöperatieve huisvestingsprojecten mogelijk zijn. Voorlopig begrijp ik dat dit in Vlaanderen veel minder evident is dan in Zwitserland en Oostenrijk, onder andere omwille van de leningen. De bank heeft nog altijd liefst een klassiek huis als onderpand, en geen ‘woonrecht’ binnen een coöperatieve structuur.

Binnen Architectuurwijzer vinden we het erg belangrijk om aandacht te besteden aan betaalbaar wonen en proberen we de klassieke discussie open te breken. We geloven sterk in het delen van voorzieningen en het samen bouwen als een interessante vorm van betaalbaar wonen, en willen de mogelijkheden hiervan verder uitvlooien.

Praktisch:
Tentoonstelling AT Home. Building and Living in Communities.
C-Mine, Genk, van zondag 10.09.2017 tot en met 20 oktober 2017.
Open elke dag van 10.00 tot 18.00u. Groepsbezoek mogelijk na inschrijving: peggy@architectuurwijzer.be
Opening: zondag 10 september 2017 om 11.00. De tentoonstelling opent op zondag 10 september om en eindigt op 20 oktober 2017. Snel een bezoek plannen is de boodschap.

10_poster AW_lage resolutie.jpg

Burgerparticipatie (Schepdaal): bewoners bepalen mobiliteit dorpskern

Geraardsbergsestraat in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Geraardsbergsestraat in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Dirk Evenepoel: Schepdaal heeft een positief burgerparticipatietraject achter de rug. We tekenden een betere, meer leefbare dorpskern en rolden een actieplan uit waar het Dilbeekse bestuur mee aan de slag kan.

Schepdaal (5580 inwoners in 2014, Wikipedia) is een deelgemeente van Dilbeek (ca. 42.000 inwoners), zelf westelijk grenzend aan Brussel. Het markplein ligt op 16,8 km van de Brusselse Ninoofsepoort. Het dorp is bekend van onder meer het Trammuseum, café De rare vos (dat in 2018 opnieuw de deuren opent), en Jospop.

Tussen de dorpskern en de gehuchten rondom zit een flink hoogteverschil. De kern ligt op meer dan 90 meter hoogte. Daarop ligt de oude heirbaan tussen Brussel en Geraardsbergen, die de Zennevallei van de Dendervallei scheidt. De gehuchten liggen veel lager, op ongeveer 30 meter. Er is zo maar eventjes 60 meter te overbruggen. De perfecte kuitenbijter voor de wielertoerist, minder evident voor de gewone fietser, al kan de elektrische fiets helpen.

De burgers van Schepdaal ontwikkelden in de afgelopen twee jaar zelf een masterplan voor mobiliteit in de dorpskern. Een stuurgroep van 25 personen en een technisch groepje van 5 personen kauwden dit voor. Na een aftoetsing met de schepen van openbare werken, de schepen van middenstand en de mobiliteitsambtenaar koppelde de stuurgroep de voorstellen terug naar de burgers, die deelnamen aan een volksbevraging. Daaruit kwam een actielijst van 30 punten, waarover een verrassend goede consensus bestond bij de bevolking.

Voor sommige bewoners ging de lijst nog niet ver genoeg. De stuurgroep Dorpskern gaf echter voorkeur aan kleine aanpassingen in het dorp die op de korte termijn en middellange termijn gerealiseerd kunnen worden. Dat ze realistisch zijn, mag blijken uit het feit dat de gemeente ze meteen over nam.  

Een dorpinrichting van 50 jaar oud

De uitdaging van deze dorpskern is op andere Vlaamse dorpskernen van toepassing. ‘De aanblik van Schepdaal is bijna niet veranderd sinds het begin van de jaren 1970. In de laatste 50 jaar is de dorpskern dus dezelfde gebleven’, verklaart Evenepoel. ‘Er is geen sprake van verloedering, wel van een veel hogere bezetting. Van de twee scholen in de kern is de bezetting verdubbeld. De inkerning nam toe. In de plaats van vele woningen kwamen kleine appartementen. De parking aan het oud gemeentehuis is verdwenen.’ Dit had enkele gevolgen: veel zwaarder verkeer, moeilijke doorstroming, wildparkeren, een weinig aantrekkelijke winkelstraat, waar het verkeer in twee richtingen door moet. ‘Op bepaalde pieken tijdens de dag rijdt het verkeer zich vast en er ontstaan gevaarlijke toestanden voor kinderen.'

"Nieuwe bouw gestart in de flessenhalszone" Foto: Schepdaal.be

"Nieuwe bouw gestart in de flessenhalszone" Foto: Schepdaal.be

Schepdaal, dat doorsneden wordt door de N8, heeft nog middenstand, maar toch is er leegloop. Daar liggen wel meer factoren aan de oorsprong van dan wonen alleen, maar de kern aantrekkelijker maken zou misschien wel kunnen helpen om opnieuw meer middenstand aan te trekken. ‘Vergeet niet dat het vaak de lokale middenstand is die lokale evenementen steunt’, zegt Evenepoel, die ook voorzitter is van vzw Schepdaal Leeft.   

De eerste samenkomst was niet bewust gestructureerd. Mensen spuwden hun gal. Een hoop miserie werd op tafel gegooid. Dit moet kunnen. Je moet die chaos toelaten. Dit maakt gewoon deel uit van het proces.’

Start burgertraject

In 2015 nam Dirk Evenepoel de rol van trekker op zich van een stuurgroep voor mobiliteit in de dorpskern van Schepdaal. Zowel burgers als politici spraken hem over mobiliteitsknopen en dit deed hem de handschoen opnemen. Zonder politiek agenda, gewoon een vrij engagement. Gemeenteraadsleden stelden voor er een burgerinitiatief van te maken, maar snel werd dit puur een burgerinitiatief en hielden bewoners met een politiek mandaatzich op de achtergrond. ‘Lang niet slecht dat het vanuit de burger zelf komt’, vindt Dirk. Van alle participatietrajecten wordt 90% vanuit de gemeente zelf geleid. Vaak zijn ze politiek getint en ligt de oppositie op de loer. Hier was dit niet zo. ‘De stuurgroep vond het belangrijk de medeburger te horen.’

Stuurgroep Dorpskern Schepdaal

Er kwam een stuurgroep van 25 inwoners, die de dorpskern kennen en gebruiken en die bereid waren mee te denken. Lokale handel, jeugdbeweging, sportclubs, vertegenwoordigers en geëngageerde mensen van het dorp. De eerste samenkomst was niet bewust gestructureerd. Mensen spuwden hun gal. ‘Een hoop miserie werd op tafel gegooid’, lacht Dirk. ‘Dit moet kunnen. Je moet die chaos toelaten. Dit maakt gewoon deel uit van het proces.’ Er vond nog een tweede vrije sessie plaats en toen was iedereen overtuigd dat er iets moest gebeuren. Toen is een technisch groepje van 5 personen aangesteld met naast Dirk onder meer een ingenieur en twee architecten.

De technische groep boog zich over elk kruispunt en formuleerde per probleem een paar alternatieven. Dit alles werd besproken met de stuurgroep, die de ideeën een eerste keer filterden. Het eindresultaat was de consensus tussen de stuurgroep en de technische groep. Met het resultaat trok de stuurgroep naar de gemeente voor verdere aftoetsing. Zo werd duidelijk wat in welke uitvoeringstijd zou passen: in deze legislatuur (tot 2018), in de meerjarenbegroting (na 2018) en in een uitvoeringsstudie (2020-2022).

De wensen van de burger

De burgers van Schepdaal willen een leefbaar dorp. Leefbaar voor inwoners, scholen, middenstand en verenigingen. Een gemeente waar verschillende vormen van vervoer mogelijk zijn. De hoofdambitie van de stuurgroep was de wensen van de burger oplijsten. ‘We maakten van in begin duidelijk dat we niet meer wilden doen dan dat’, zegt Dirk. ‘We wilden geen studiebureau op de taak. We wilden ook niet duwen. Politici durven wel opdringen. Kijk naar grotere steden zoals Gent. Moedig, maar dat zagen wij niet als onze opdracht hier.’ Dingen opdringen zou voor deze bevolking veel te drastisch zijn en niet gedragen. In Schepdaal willen mensen de middenstand houden en kunnen parkeren. En de kinderen veilig op school krijgen. De middenstand zelf ziet graag korte parkeertijden voor de deur, aldus Evenepoel.  

In Schepdaal werd lang gedebatteerd over het marktplein. Volledig verkeersvrij maken of deels? Ondergrondse parking of zo laten? ‘Mensen willen kunnen parkeren. We zijn tot de consensus gekomen dat recreatie en bijkomend groen bijkomend kan, als het maximaal aantal parkeerplaatsen behouden kan blijven, hier of in de directe omgeving.’

De gemeente Dilbeek had al eens een studiebureau aangesteld om metingen uit te voeren. Daaruit bleek dat in de dorpskern van Schepdaal geen acuut parkeerprobleem is, tenzij op piekmomenten. Op de markt gaat het om ca 60 plaatsen en 140 voor de dorpskern. ‘Dat sluit megalomane projecten uit’, aldus Evenepoel. ‘Een ondergrondse parking bouwen mobiliseert zo’n kern gedurende maanden of jaren en is kostelijk in aanleg en onderhoud. Dat hoeft niet voor een klein dorp.’

Voor sommige bewoners gingen de actiepunten nog niet ver genoeg. De stuurgroep Dorpskern gaf echter voorkeur aan kleine aanpassingen in het dorp die op de korte termijn en middellange termijn gerealiseerd kunnen worden. Dat ze realistisch zijn, mag blijken uit het feit dat de gemeente ze meteen over nam.

Volksbevraging

Met steun van de gemeente werden flyers verspreid en een grote bijeenkomst gehouden. Zo’n 125 mensen tekenden present. Evenepoel gaf een technische presentatie waarin 20 punten werden voorgesteld. Nadien was er anderhalf uur tijd voor een gestructureerd debat rond vier thema’s: het circulatieplan, parking, fietser en voetganger, het marktplein. Mensen vulden een enquête in. Dit kon nog achteraf door wie er niet kon bij zijn.
Evenepoel was eerst wat zenuwachtig. Een feestcomité leiden is nog iets anders dan een verkeerscomité.  ‘Veranderen wekt altijd argwaan op. Mensen kunnen zich afvragen waarom het allemaal moet. Je begint toch in iemands habitat te graven’, zegt hij. ‘Schiet niet op de pianist’ werd één van zijn eerste slides. ‘Er was geen aanleiding toe. Iedereen vond dat we goed hadden gewerkt.’

30 voorstellen

Het resultaat van de volksbevraging werd een lijst van 30 voorstellen, groot en klein door elkaar. De kleine voorstellen kunnen kleine ergernissen oplossen. Een slecht voetpad vernieuwen, een zebrapad verleggen, betere signalisatie in de hoofdstraat voor verschillende functies, een kiss and ride-zone voor de school rond de kerk, een vluchtheuvel op een moeilijk kruispunt. Allerlei ingrepen die zorgen voor een betere doorstroming en meer veiligheid, waar iedereen beter van wordt. De gemeente was er meteen voor gewonnen. Het meest verrassend was de grote eensgezindheid van de bevolking: er tekende zich meteen heel duidelijk af of iets een slecht idee of een goed idee was. '50/50-meningen zagen we bijna niet', aldus Evenepoel. 'Dit liet toe makkelijker conclusies te trekken. Erger is geen consensus in je gemeente. Hoe trek je dan conclusies?'

Eén van de testfases in schepdaal

Eén van de testfases in schepdaal

Drie testfases en een schoolstraat

Er werden 3 testfases ingevoerd die deze herfst worden geëvalueerd. Vandaag is de voornaamste winkel- en doorgangsstraat (Eylenbosch) tussen de markt en de N8 éénrichting. ‘Dat is de ingreep op korte termijn’, preciseert Evenepoel. ‘Op middellange termijn hopen we de straat te verfraaien. Meer groen, beter afgebakende parkeerzones, een autoluwe straat, misschien een asverschuiving. Zodat de middenstand ze aantrekkelijk genoeg vindt om terug te keren.’ Er loopt een test met parkeren in blauwe zone op goed gekozen plaatsen. De middenstand heeft graag kort parkeren voor de deur. Met goed resultaat.

Bijna uniek ook voor Vlaanderen: vanaf september wordt één van de straten waar een school ligt, nochtans een veelgebruikte doorgang naar de N8, afgesloten tijdens de school piekuren. We willen zo gedragsverandering creëren, zegt Evenepoel. ‘Ons rijgedrag aanpassen duurt maximum enkele weken.’

De voorstellen mogen geen dode letter blijven. Evenepoel belde al naar de gemeente over de opvolging van de voorstellen. ‘In het najaar is een nieuwe evaluatie gepland.’

Fietsbrug over het spoor?

Helemaal aan het eind van het 30 punten-programma zaten enkele ambitieuzere voorstellen, waaronder een fietsbrug over het spoor. De oude heirweg Geraardsbergsestraat is tussen de straat en de weg met die naam onderbroken door de spoorlijn 50A Brussel-Oostende. ‘Heel leuk zou hier een fietsbrug zijn die toelaat dat fietsers op de heuvelkam kunnen blijven rijden’, zegt Evenepoel. ‘Eventueel kan dan nog een verbinding worden gemaakt met de nieuw aangelegde de fietssnelweg langs de spoorlijn die eronder ligt, waar fietsers ook comfortabel kunnen rijden. Dit vergt meer investering en ook studie. De gemeente wil de brug zeker in studie nemen en het gesprek aangaan met Infrabel. Er bestond een heel groot draagvlak voor.’

De gemeente Dilbeek heeft nu al een fietsnetwerk, waar de stuurgroep haar voorstellen ook aan koppelt. ‘Voor de fiets moet je wel vanuit de gehuchten redeneren en zelfs vanuit naburige gemeenten’, zegt Evenepoel. ‘In de herinrichting van de Eylenboschstraat moet de fiets zeker een plaats krijgen, maar het zou mooi zijn als we met de fietsbrug een substantiële bijdrage leveren tot een groter fietsnetwerk.’

Trage weg in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Trage weg in Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Trage (fiets)wegen

Een ander element dat kan worden ingezet in een ruimer vervoersnetwerk zijn de trage wegen. Ze zijn er toch’, zegt Evenepoel. Een lid van de Schepdaalse Gemeenschapsraad, Raymond Berlanger, bracht ze mooi in beeld. ‘Vandaag zijn ze niet altijd goed onderhouden, maar waarom van sommige geen fietswegen maken door ze een beetje te verharden? Als enkele ervan tot fietsweg opgewaardeerd worden, ontstaan veilige kruisende wegen weg van de straat.’ Zou dat niet bijzonder aantrekkelijk zijn? Zou dat niet kunnen helpen om een mentaliteitswijziging richting zacht vervoer tot stand te brengen?

Het werk in Schepdaal toont dat burgers perfect in staat zijn om zelf het voorontwerp te bezorgen van een masterplan.

Burgers doen voortraject, studiebureau neemt over

Evenepoel formuleert het voorzichtig, maar ziet toch dat gemeenten al te vaak naar een studiebureau grijpen voor de start van een mobiliteitsplan. Dat is een kostelijke zaak. Zulke bureaus staan toch wat verder van wat de gewone burger denkt. ‘Eenvoudige oplossingen zoals het verplaatsen van een zebrapad zullen studiebureaus niet altijd snel voorstellen. Zij willen zich bewijzen, de hoge kost rechtvaardigen ze misschien wat sneller met spectaculaire voorstellen, maar dat is niet altijd de essentie van wat de burger wil. Zij zitten niet in het lokale weefsel.’

Het werk in Schepdaal toont dat burgers perfect in staat zijn om zelf het voorontwerp te bezorgen van een masterplan. In die zin kunnen ze perfect complementair werken met een studiebureau dat nadien de nodige metingen kan doen, de impactstudie, kortom, de uitvoering kan overnemen. Eén ding kan niemand veranderen: het hoogteverschil van 60 meter in Schepdaal, lacht Evenepoel.

Tragewegenwandeling Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Tragewegenwandeling Schepdaal. Foto: Raymond Berlanger - Schepdaal.be

Kernversterking - Is hoogbouw een optie? (zomerreeks deel 3): terminologie

Gebruik de juiste terminologie, zegt Johan Van Reeth (BUUR).

Hoogbouw

Een gebouw van meer dan 25 meter hoogte.

Hoger bouwen

Een gebouw met meer dan 150% van de referentiehoogte in de omgeving.

Schaalvergroting

Een gevelbreedte van meer dan 200% van de referentiebreedte in de omgeving = ‘schaalvergroting’. (Wees hier voorzichtig mee)

Kernversterking (zomerreeks deel 2): 7 scenario's om niet te volgen

Kwaliteitsvol hoger bouwen past binnen de Vlaamse ambitieuze klimaat- en milieudoelstellingen (2020, 2030, 2040, 2050). Kwalitatieve hoogbouw is mogelijk, zowel in de stad als, ja, ook in landelijke kernen. Maar dan moeten we de volgende 7 scenario’s zeker niet volgen.

Hoogbouw heeft schaalbreuk nodig.

Hoogbouw heeft schaalbreuk nodig.

1. Neem ruimte in (in je gemeente of stad) zonder enige visie.

Doe aan slimme verdichting.  Maak het huiswerk, doe de nodige berekeningen.
Als je met hoogbouw begint, wil je als overheid hier juist wél een kader of gereedsschapskist voor. Voorbeelden: Gezinsvriendelijke hoogbouw (NL) (‘Bekijk een flat van 100 huishoudens als een dorp’) of ‘Visie op hoger bouwen' voor verschillende plekken.

Er is het gebouw en de directe omgeving. Naast een hogere toren is bijvoorbeeld schaalbreuk heel belangrijk, zegt de Vlaams Bouwmeester. Je wil net laag gaan ernaast (dus net niet alles van dezelfde hoogte want dit geeft net minder zon). Leg de toren niet neer, want dan krijg je minder zon.

Vergeet ook de directe omgeving niet. Houd als openbaar bestuur de touwtjes strak in handen. Stel eisen aan projecten. Vraag minder parkeerplaatsen (zie punt 4), meer groen (zie punt 5). Kijk of er geen multifunctionaliteit mogelijk is die de sociale interactie vergroot (punt 6). En betrek bewoners voldoende bij ambitieuze projecten (punt 7).

Heb je een visie, dan is de kans klein dat er ‘misbruik’ door ‘winstmaximalisatie’ plaatsvindt (een gehoorde angst). Doorloop een systeem van kwaliteitszorg. Dit laat toe de impact van hoogbouw en schaalvergroting in te schatten. Zo is een evenwicht mogelijk tussen erfgoed en geschiedenis enerzijds en evolutie anderzijds.

Niet vergeten: wat raar lijkt vandaag (de orde van architecten nam ervoor ontslag) kan morgen een icoon worden (de Eiffeltoren). ‘Krijg je de kriebels? Even geduld. Het zou mooi kunnen worden’, aldus de Vlaams Bouwmeester

2. Doe alles en overal op precies dezelfde manier.

Je wil zeker niet alles overal op dezelfde manier doen! In de ene kern kan je een bestaand dorp versterken; in de andere kern kan je verkavelingen en gehuchten tot een volwaardige woonkern verbinden, zegt Johan Van Reeth. De Vlaams Bouwmeester zegt dat dorpen altijd ministadjes zijn geweest. Het moet goed zijn. Aanvaard niet alles zomaar van ontwerpers en ontwikkelaars. Bestudeer als overheid alles goed (punt 1). Als het een geruststelling mag zijn: hoogbouw kan niet overal. Maar landelijke hoogbouw niet fout: het wordt toegepast in Nederland en in Scandinavië.

Ramon Kenis en Zeger Debyser waarschuwden voor slechte praktijkvoorbeelden van hoger bouwen, zeker in landelijke kernen. De dorpsenquête (2016) van plattelandsvereniging Landelijke Gilden wijt de terughoudendheid van mensen rond verdichting door middel van meer bouwlagen aan ‘het gebrek aan goede praktijkvoorbeelden.’ Kernversterking, ja, maar wel ‘op maat van het dorp’. Het terrein ligt dus ontzettend open om goede praktijkvoorbeelden toe te voegen aan wat er al is. Voorbeeld: de BMT-site in Boechout.

Gesloten appartementsblokken waar weinig te beleven valt is als vorm van stapelen ‘goed fout’. Bekijk appartementen eerder als gestapelde villa’s.
Berlijn, sociale woningen (Foto Shutterstock)

Berlijn, sociale woningen (Foto Shutterstock)

3. Bouw ‘konijnenkoten’.

Een weinig benijdenswaardige term van de Vlaams Bouwmeester, die meent wat hij zegt. Gesloten appartementsblokken waar weinig te beleven valt. Die vorm van ‘stapelen’ is vandaag ‘goed fout’. Wat willen we dan wel? Gestapeld wonen met een hoge pretfactor. Daar is goed over nagedacht. Het is maar een kleine stap van armtierig wonen naar riant wonen, vindt Leo Van Broeck.

Maak van gezinsvriendelijk bouwen de norm. Deinze zal dit doen met Wonen aan de Leie II. Bekijk appartementen als lage gestapelde villa’s. Je bouwt ‘huizen boven elkaar’ (Mumbai deed dit in de jaren 1930). Je moet er de meeste dingen kunnen doen (bv. een fiets afspuiten).

Denk aan veel ramen, grote terrassen, inventieve oplossingen die een bestaande schil beschermen tegen koude en hitte, bijvoorbeeld serres bouwen tegen de bestaande terrassen, nadenken over circulatie rondom het gebouw, nadenken over de invulling van het dak, nadenken over oververhitting, en over privacy.

Weet wel: ‘in de stad heb je altijd wel ergens inkijk. Daar leven mensen samen.’ Maar ingrepen die de privacy ten goede komen bestaan ook.

4. Volg alleen de logica van ‘koning’ auto.

Neen, volg de logica van voetganger en fiets. Dit gebeurt niet voldoende! De hoogbouwwijken die wij nu al kennen, volgt de logica van de zachte weggebruiker niet. Onze oude hoogbouwwijken hebben een luxeprobleem: ze hebben geen ruimte te weinig, maar net te veel! Alleen is die ruimte is niet goed ingedeeld en op maat van het ‘gemotoriseerd verkeer’ ontworpen.

Bovendien is de benedenverdieping van flatgebouwen vaak niet voor samenkomst of spel ingedeeld. Dus niet kindvriendelijk. Nochtans kan die de perfecte overgang tussen bewoning en buitenruimte maken. Kortom, deze hoogbouw lijdt aan ‘beperkte circulatie’ (laverend tussen parkings en steriele gazons) en aan ‘beperkte beleving’, stelde Francis Vaningelgem van Kind en Samenleving al vast (Kind en Samenleving heeft hier massa's goede ideeën rond) (F. Van Ingelgem, 'Ruimte te veel, een luxeprobleem?', Kind en Ruimte editie 12, December 2016, p. 9-12, hier p. 9). Hij noemde als goede voorbeelden: wijkspeelruimte Bonnevie (Molenbeek) of Luchtbal (Antwerpen). Aan 'kinderen en verdichting' wijden we later nog een apart stukje.

'Koning' auto zal zijn kroon verliezen. Ons wagenpark zal verdwijnen of gedeeld worden. Het zal gewoon minder worden. Tip (Bond Beter Leefmilieu): creëer nu al minder parkeerplaatsen rond gestapeld wonen dan wettelijk nodig, maar zorg ondertussen wel voor voldoende alternatieven (laad- en instapmogelijkheid, goed openbaar vervoer). En gebruik parkeerplaatsen zeker niet als het argument waarom er geen groen kwam.

Gent, Watersportbaan. 

Gent, Watersportbaan. 

Onze oude hoogbouwwijken hebben een luxeprobleem. Ze hebben geen ruimte te weinig, maar net te veel. Gestapeld wonen vraagt een heel ander soort buitenruimte.

5. Waar is het groen? Maak van groen vooral geen harde eis.

Foto Gent Blogt

Foto Gent Blogt

Denk juist heel fel na over omgeving en groen! Omgevingstechnoloog Karen Mulder deed onderzoek naar verschillende nieuwbouwprojecten. ‘Hoe worden de drie functies van de openbare buitenruimte, spelen verblijven en parkeren met elkaar gecombineerd?’ vroeg ze. Wat bleek? Bij vele recente projecten werd groen ‘gewoon niet als harde eis’ ‘meegenomen in het ontwerptraject’. (www.kmot.nl). Worst case: er komt helemaal geen groen! Pas ook op voor steriele pleinen.

Stad Gent, Groene Vallei. Foto: Liesbeth G.V.

Stad Gent, Groene Vallei. Foto: Liesbeth G.V.

Soms wordt groen wel meegenomen in een project. Maar opgepast voor de ‘groene facelift’, zeggen Ramon Kenis en Zeger Debyser: steriel nieuw groen. Boompjes in plantenbakken op straat. Toch maar liever echte bomen?

Gestapeld wonen vraagt een heel andere soort buitenruimte. Vecht voor groen! (Hertogensite Leuven, uit het debat, zie deel 1). ‘Liever hoge bomen dan hoge torens’? Het kan ook worden: ‘Hoge bomen naast hoge torens’. Kijk of bestaand groen of een natuurlijk reliëf kan worden behouden. Nogmaals: gestapeld wonen vraagt om een heel ander soort buitenruimte (zie punt 4).

6. Denk helemaal niet aan multifunctionaliteit.  

Weten we het nog uit de blogartikels 'Dieper in zorg'? De woonblokken van het moderne wonen hadden meestal geen geld meer over om de gemeenschappelijke ruimte op het gelijkvloers in te richten, hoewel die was voorzien (ze wisten misschien niet hoe).

De dorpsenquête (2016) van plattelandsvereniging Landelijke Gilden haalde iets heel belangrijks naar voren dat heel erg wordt onderschat: mensen willen vooral plaatsen voor ontmoeting terugvinden in dorpen! Dit geldt ook voor het ‘dorpsgevoel’ in steden (Denk aan Park Spoor Noord) (zie ook ‘pretfactor’ bij punt 3). Als dat geen schot voor open doel is. Wie neemt dit mee in projecten?

De dorpsenquête van de Landelijke Gilden haalde iets heel belangrijks naar voren dat heel erg wordt onderschat: mensen willen vooral plaatsen voor ontmoeting terugvinden in dorpen. Dit geldt ook voor het ‘dorpsgevoel’ in steden. Wie neemt dit mee in projecten?

Multifunctionaliteit zorgt meteen voor interactie. De Vlaams Bouwmeester geeft een voorbeeld uit Miami: een parking waarin ook wordt gewoond en waar feesten worden gehouden (Dit mag voor zijn part in centrum Brugge). Winkels ’s die ook ’s avonds worden gebruikt. Een gemeentehuis met een functie voor wonen en winkels? Een markthal (Rotterdam) waar je ook kan wonen. Sport op daken, sportterreinen drie hoog gestapeld (in Nederland). Zorgwonen en inclusief wonen in steden (Barcelona), in de nabijheid van kinderen (Zwijnaarde) en omringd door groen.

7 Betrek de burger of omgeving er vooral niet bij.

Voer natuurlijk wel participatief ontwerpend onderzoek. Creëer een draagvlak. Verricht het ‘ontwikkelend onderzoek’ samen met buurtbewoners. In augustus voeren wij een gesprek met Schepdaal Leeft en wat zij zelf deden voor de verkeersstromen in hun lokale kern. De gemeente neemt die voorstellen nu over.

Voor alle duidelijkheid: dit zijn 7 scenario’s die we niet willen volgen (wordt vervolgd).

Koningin Fabiolapark Sint-Niklaas (amelinckx). Foto: Stadsarchief Sint-Niklaas

Koningin Fabiolapark Sint-Niklaas (amelinckx). Foto: Stadsarchief Sint-Niklaas

Kernversterking (zomerreeks deel 1): is hoogbouw een optie?

2050. Slim wonen en leven is een evidentie in Vlaanderen.
2040. Locaties buiten kernen zijn voor projectontwikkelaars niet meer interessant. Bijna iedereen wil in steden en kernen wonen.
2030. Het beleid van diverse overheden stimuleert de duurzame woonwensen, waarin woonmobiliteit en het wonen in kernen onderdelen van zijn.
Bovenstaande zinnen staan in de Startnota Slim wonen en leven van Wonen Vlaanderen, die voor de zomer werd goedgekeurd.

2017. ’Hoogbouw roept in Vlaanderen veel weerstand op.’ Dit staat vandaag in de brochure Recepten voor kernversterking. Hoe leg je als lokaal bestuur de basis voor een klimaatvriendelijke gemeente, van Bond Beter Leefmilieu en de Provincie Vlaams-Brabant (2016), die we aanraden.

We zijn er nog niet!

We bevinden ons nog altijd in een periode van weerstand, want de Vlaming wil nog eerder ‘huisje tuintje boompje’ (... en dit betekent helaas ook autootje). Die woonwens wil de Vlaamse gemeenschap zacht zien bewegen in de richting van meer duurzame woonwensen.

Tijdens de debatavond ‘Kernversterking: is hoogbouw een optie?’ (Leuven, 29 juni) bracht de provincie Vlaams-Brabant vier stemmen te horen. Twee met voorbehoud en twee die dit wat sneller kunnen inschrijven in een methode om te versterken en te verdichten.

Sprekers waren Eric Grietens (Bond Beter Leefmilieu), Ramon Kenis (ingenieur, Leuvens Historisch Genootschap), Johan Van Reeth (BUUR), en Zeger Debyser (arts, Vrienden Abdij van het Park). Er was een slotbeschouwing van de Vlaams Bouwmeester die, zoals altijd, daverde. Verrassend genoeg klonken de vier sprekers genuanceerd en waren er overlappingen. Er is geen zwart-wit.

2017. Wat is hoogbouw voor de Vlaming vandaag? ’De Vlaming denkt instinctmatig aan Amelinckx-hoogbouw of sociale woonblokken’, zegt Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck. Daar is een reden voor: de hoogbouw bij ons is vooral van dit type (foto onder). Het zijn voorbeelden die we volgens hem vooral niet moeten nabootsen.

Elk kind zou dit vanbuiten moeten leren, net als maaltafels: wij bouwen elke dag 6 hectare of 12 voetbalvelden vol. Elke dag. En dat willen we niet langer.

De Vlaamse overheid denkt aan kernversterking, omdat dit goed is voor de planeet en goed voor het milieu. Elk kind zou dit vanbuiten moeten leren, net als maaltafels: we bouwen in Vlaanderen elke dag 6 hectare of 12 voetbalvelden vol. Elke dag. Dit willen we niet langer. Hoger bouwen is één oplossing om te komen tot een kleiner ruimtelijk beslag. Als we het goed doen, slaan we 4 vliegen in één klap, zegt Eric Grietens:

  • We besparen ruimte;
  • We sparen energie; Als we compacter wonen en bouwen, kunnen we de dure energieomslag maken en meer kritische massa genereren voor lokale energievoorziening (lokale centrales);
  • We besparen op materialen;
  • We hebben minder auto’s nodig en krijgen een betere mobiliteit.

Er zijn voordelen aan hoger bouwen, en deze gaf Johan Van Reeth: er is een extra bouwprogramma, een goede plek wordt optimaal benut, je creëert een economische hefboom.

Een gebrek aan langetermijnvisie komen we dagelijks tegen!

In 2017 zijn we er nog niet. Er zijn nog te veel voorbeelden van foute kernversterking en foute (hoog)bouw. De stemmen ‘tegen’ gaven duchtig ‘tegengas’, en wel met reden: ‘een gebrek aan lange termijnvisie komen wij dagelijks tegen!’

  • Moeten we altijd hoog gaan om ruimte efficiënt te gebruiken? Wat met leegstand?
  • Kunnen we industrieterreinen niet beter optoppen? (Haasrode Industrie in plaats van overstromingsgebied in te nemen in de Dijlevallei);
  • Kunnen we rekening houden met waterwegen en reliëf?
  • Met stadspanorama’s, met bestaande natuur, met historische gebouwen?
  • Waar ontbreekt de dialoog?
  • Wanneer wordt hoogbouw ontwrichting, verwringing?
  • Kunnen we steden leefbaar houden wanneer we torens bouwen?
  • Hebben we geen nood aan stadsbouwmeesters?…

Enzovoorts.  

Hoogbouw is niet eenvoudig. Het is een kwestie van de juiste dingen doen. Het is geen kwestie van ‘mooi’ of ‘lelijk’, eerder van ‘goed’ of ‘fout’. Er is foute/goede laagbouw en foute/goede hoogbouw.

Het gaat niet om hoogbouw. Het gaat om hoger bouwen. Hoger bouwen is niet a priori duurzaam. Het moet goed zijn.

Eén stem zei: ‘het gaat om hoger bouwen, niet om hoogbouw.’ 'Hoger bouwen is niet a priori duurzaam. Hoger bouwen moet zeker een hogere maatschappelijke meerwaarde genereren’, sloot Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck af. Het moet goed zijn voor mens én natuur. Dat is een duurzame woonwens. In dat geval mogen we 7 scenario’s zeker niet volgen (wordt vervolgd).

 

Brussel. Foto: skyscrapercity.com

Brussel. Foto: skyscrapercity.com

Kernversterking in behoedzame stappen

Foto genomen te Leuven, 29 juni 2017

Foto genomen te Leuven, 29 juni 2017

We schrijven deze bijdrage kort en los uit de pols, uit noodzaak, want elke dag leren berichten in de krant dat het een belangrijk punt is. Hoe betrek je de burger bij de ambities die Vlaanderen heeft inzake ruimtelijke ordening?

In Merchtem vreest men verstedelijking door nieuw plan, lezen we vandaag. Een openbaar onderzoek voor het ontwerp van een RUP loopt af. De Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening (gecoro) van de Vlaams-Brabantse gemeente ontving 124 bezwaarschriften. Grotere bouwvolumes en grotere bouwlagen maken bewoners ongerust. Vrees en angst, reactie via bezwaarschrift. Dit scenario kan in elke gemeente gebeuren.

De Schepen van Ruimtelijke Ordening antwoordt zoals een schepen die de laatste tendensen inzake ruimte in Vlaanderen kent. In 2016 kwamen deze aan bod in het receptenboek Kernversterking (Bond Beter Leefmilieu en Vlaams-Brabant). Het gaat erom mobieler te worden in ons wonen, minder in de auto te zitten en meer ruimte voor de economische mobiliteit, minder CO2-uitstoot, waar de verdichting van wooneenheden deel van uitmaakt.

Er is angst voor 'verstedelijking' in het centrum van die gemeente. Ook hier antwoordt de schepen correct: 'De grote lijnen van die verstedelijking worden evenwel uitgetekend door de Vlaamse overheid' en 'Als je de open ruimte wil vrijwaren, dan betekent dat ook dat je in de woonkernen hoger moet gaan bouwen. Je kan geen open ruimte vrijwaren én je centrum landelijk houden'. (Wim De Smet, 'Sint-Jansstraat vreest verstedelijking door nieuw plan', in HLN Pajottenland, 6 juli 2017, p.15.)

De behoedzame stappen die nodig zijn lijken ons er minstens drie. Het is nodig de burger vertrouwd te maken met de redenen die Vlaanderen heeft om het bouwen en wonen anders te zien: de demografische evolutie, de verborgen kosten die verspreid bouwen in Vlaanderen nu elke dag heeft. Elke burger, elk schoolkind. Leer hen ook hoe leuk het kan zijn, zoals de Vlaams Bouwmeester altijd graag benadrukt. Het bredere plaatje, de langetermijnvisie.

Vandaag zijn er in Vlaanderen nog steeds stemmen -en ja, hoor, ze zetelen ook in gecoro's- die menen dat het DNA van de Vlaming de vrijstaande villa is met kleine tuin. Dat kan. Het is een DNA dat werd vastgelegd in 1948. Maar anno 2017 leren ze er dan tenminste de kost van kennen. 

Verder ook nodig aandacht te besteden aan woordgebruik.

  • Kernversterking kernversterking te noemen, geen verstedelijking. De versterking in een dorpskern zal er heel anders uitzien dan in een stad. Verstedelijking is misschien enkel een mislukte kernversterking, die nog te veel de auto centraal stelt en te weinig het groen en zacht vervoer. Dit moeten lokale besturen goed bewaken. Denk aan de nieuwe campus van Apple: de 9000 parkeerplaatsen die in 2009 zijn gepland, zijn die nog nuttig vandaag? Promotoren, bouwen jullie voor vandaag of voor morgen? Gemeenten, bewaken jullie dit? Kernversterking heeft een positieve connotatie, het kan een woonkern ook op sociaal en economisch vlak versterken.
  • Zeg niet hoogbouw, wel: hoger bouwen. Dit was een conclusie over het debat dat gehouden werd laatst in het Provinciehuis van Vlaams-Brabant te Leuven, en waar wij in een volgend bericht dieper op ingaan.

Tenslotte is het nodig, en dit is het belangrijkste punt, in elke woonkern, hoe klein ook, dubbel en dik na te denken over nieuwe ingrepen van kernversterking. Hoger bouwen in context bekijken, in de volledige straat of wijk. Niet omdat kernversterking niet kan - het kan een oplossing zijn in de hoogte te gaan en leegstand in te zetten, maar omdat er geen universeel inzetbaar antwoord is op welk type hoger bouwen goed is op een specifieke plek. Dit vergt overleg, dit vergt inzicht, kijken of de plek goed is, de inbreng van specialisten, het vergt kijken weg van de belangen van één enkele partij. Het vergt rekening houden met de omgeving. 

Betekent dit dan de totale verlamming voor één hoger gebouw ergens in een gemeente? Neen, als men ruim de tijd neemt om alle medebewoners goed vertrouwd te maken met het bredere plaatje van duurzaam ruimtegebruik en wonen, de langetermijnvisie, en welke voordelen dit ook voor hen kan opleveren.

Zal dichter op elkaar wonen een aanpassing vergen voor sommigen? Toch wel, ja. Maar het is een horde die Vlaanderen over enkele generaties heen kan nemen, zolang dat bredere plaatje maar duidelijk is. Als onze kinderen al anders denken over het DNA van 1948 en meer mobiel worden in hun wonen, is het Slim wonen en leven misschien goed begonnen.

In de komende tijd zullen we aandacht besteden aan de kleine lijnen, het menselijke aspect van deze thema's: burgerparticipatie, hoe je mensen betrekt bij kernversterking. Welke is de goeie kit of lijm? Waar zijn er succesvolle verhalen op te tekenen en wat is daarvoor nodig? Het werk op het terrein, dus, dat al is begonnen.

Duurzame buurten: coproductie in Berlijn (Fatkoehl Architecten)

Neem de vraag wat met de bewoners kan gebeuren binnen 10-15 jaar mee in een project.

Neem de vraag wat met de bewoners kan gebeuren binnen 10-15 jaar mee in een project.

Wat bezielt de Berlijnse architect Florian Köhl om steden te zien als ecosystemen? De onvermijdelijkheid van verandering, zo blijkt. Alles in onze leefomgeving verandert. Voortdurend. Een stad is vele systemen tegelijk die veranderen en waar de mens zich voortdurend moet aan aanpassen. De ene dag kan je je vrij bewegen, de andere dag staat er een muur. Zelfs ruimtelijke gebieden die niet kunnen veranderen, veranderen toch. Het niemandsland rond de Berlijnse muur bleef over al die jaren geen terrein zonder ingrepen. ‘De ene dag heb je één regel, de volgende dag komen er vluchtelingen aan en moet je weer aanpassen’, zei Köhl in Genk.

Op 27 april organiseerde vzw Architectuurwijzer Stad Limburg - architectuur, landschap en stedenbouw in C-Mine een lezing van deze Berlijnse architect (FatKoehl Architecten). Köhl trad op als architect en projectregisseur van een gebouw waar hij zelf ging wonen en tenslotte zijn kantoor in onder bracht. Dit gebeurde met een Baugruppe of bouwherengroep. Titel van de lezing: Coproducing urban ecosystems. Köhl heeft vijftien jaar eigen architectuurpraktijk. Hij vertelde over drie gebouwen en één interventie in de openbare ruimte, tot stand gekomen via coproductie met bewoners/gebruikers.

Coproductie van stedelijke ecosystemen

Als organisch ecosysteem heeft een stad nood aan coproductie, vindt Köhl. Hij stelt zich vooral deze drie vragen:

  • hoe kunnen we onszelf zover krijgen (emanciperen) om deel te worden van die stad? Volstaat het om onze mening te geven? Of gebeurt dit ook door wat we zelf maken?
  • hoe zorgen we voor betaalbare diversiteit en wat betekent dat?
  • hoe krijgen we een intense publiek-private uitwisseling?

De de stad wordt gemaakt door mensen, wisten de Situationisten al. In hun kritiek op het modernisme wandelden ze door steden, keken ernaar met de blik van een kind en verrichtten er speelse ingrepen. Hun projecten bleven evenwel beperkt tot het papier. In diezelfde speelse geest wilde Köhl zelf wel eens de hand aan de ploeg slaan. Zelf voor bouwheer spelen, maar niet alleen: in samenspraak met de toekomstige bewoners. Dit doet denken aan wat Sylvain Debleeckere (em. prof. U Hasselt) en Danny Windmolders schreven in het boek Wonen. Bouwstenen voor een habitologie (Leuven 2015):

Wonen’ is als thema geen eigendom van architecten, ambtenaren of immokantoren. Bezig zijn met wonen impliceert ook en vooral bezig zijn met de mens, individueel en collectief. Het wonen verandert ook voortdurend en is – net als de mens – als het ware altijd “onderweg”. (AR-TUR, Cahier #6, Woonlabo, p. 22)

Het niet perfecte, maar perfect mogelijke leven van een 'Baugruppe’

Köhl werkte voor een grote praktijk (Libeskind), maar vestigde zich zelfstandig. Hij kocht met zijn echtgenote in 2003 een bouwperceel in voormalig Oost-Berlijn. Dit staat in Prenzlauerberg, met zicht op de ellenlange televisietoren en ook niet ver van een kerk die vlakbij de Berlijnse muur had gestaan. De buren gebruikten dit verwilderde leeg perceel als tuin. Het eerste dat de nieuwe eigenaars deden was het perceel zes maand met rust laten: ‘we wilden niet als kolonisten overkomen.’

Het eerste dat de nieuwe eigenaars deden was het perceel, waar de buren op tuinierden, zes maanden met rust laten. We wilden niet als kolonisten overkomen.

Het kantoor besloot een gebouw met 10 wooneenheden op te trekken en stapte naar de bank voor financiering. Daar kreeg het het deksel op de neus. ‘De bank hielp niet. Investeren in Berlijn deed je toen niet’, vertelde Köhl. Toen de Berlijnse muur in 1989 wegviel, bleek Oost-Berlijn nochtans interessant niemandsland waar werd geëxperimenteerd. Je vond er interessante tijdelijke wooningrepen of winkels. Een groot bord ‘Zweifel’ (twijfel) stond bovenop het Palast der Republik (1977-2008), omdat men nog niet wist of men het zou afbreken of niet. Tegen 1000 EUR per m2 kocht je een appartement. Tegen 380 EUR per m2 kochten zij de bouwgrond (vandaag meer dan 4000 EUR).

Het kantoor vond een oplossing in een bestaand model, gangbaar in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Italië: de ‘Baugemeinschaft’ (‘Bauherrengemeinschaft’ of ‘Baugruppe’), een gemeenschap of groep van bouwheren die samen een bouwwerk plannen, bouwen of renoveren. Het is een gemeenschap van burgerlijk recht en kan later veranderd worden in iets anders, bijvoorbeeld een coöperatie of een andere eigenaarsstructuur. ‘Het principe was dat iedereen eerst zijn aandeel in het land moest kopen. Daarna bouw je op elkaar en de rekeningen worden betaald in functie van het aandeel van je eigen flat’, legde Köhl uit.

Köhl deed lang over dit project. Het duurde drie jaar voor het kantoor ‘klanten’ had en het project van start kon gaan. Dat was best beangstigend. Een Baugruppe (bouwgroep of bouwherengroep) laat toe woonwensen reeds in de fase van planning mee te nemen. Dit was cruciaal voor dit project, evenals de vraag wat er met de bewoners zou gebeuren binnen 10-15 jaar. Ze streefden ook naar diversiteit in de invulling, die van de bewoners moest komen:

We keken in de toekomst. Wat de invulling betreft wilden we de flats kunnen verkleinen wanneer de gezinnen verkleinden. We besloten verschillende soorten flats te maken, kleine en grote, en te kijken naar gedeelde ruimte. We hielden ook rekening met het mooie uitzicht, ook op de eerste verdieping. Op de benedenverdieping voorzagen we een winkel, maar omdat niemand erin wilde, betrokken wij het met ons kantoor. Wat de voorgevel betrof, zorgden we voor opendraaiende balkons of tijdelijke openingen, die de stad (die meende dat dit technisch niet kon) goedkeurde. Zo werd dit een communicerend gebouw. Dit vonden we belangrijk. De balkons waren deel van de façade én nuttig. Ze werden conversation pieces.

Köhl geeft een voorbeeld van de coproductie die in dit gebouw mogelijk werd. Eén koppel, kunstenaars, wenste een volledige verdieping als open ruimte. Ze bouwden geen typische badkamer, maar een huis-in-het-huis dat op de verdieping ophangt. Door een vergetelheid - een lift die het toilet naar boven moest brengen, werd het toilet zelfs aan de buitenkant van het gebouw opgehangen. De Baugruppe kreeg gelukkig toelating.

Het is ook mogelijk zelf te gaan bepalen wie er komt wonen. ‘Daar zijn geen regels over,’ legt Köhl uit. ‘We werden daarvoor bekritiseerd: eens het project af is, beland je toch in de gewone eigenaarswetgeving? Maar hoe je het project start en regels maakt, samenleven kan je niet volledig in regels gieten. Stel nu dat je een clusterflat maakt met gemeenschappelijke delen. Als dat voor iemand niet werkt, dan moet die persoon misschien verhuizen. Er is geen raamwerk voor.’

Köhl leerde dat diversiteit in het project brengen niet zo eenvoudig was. Samenwerken in een ‘Baugruppe’ biedt bovendien geen garantie op vriendschap. Als je deelneemt in een Baugruppe, weet je dat je leven niet perfect blijft’, lacht Köhl. ‘Algemeen gesproken zijn mensen realistisch en we vragen dit ook van hen.’

In 1987 plande Berlijn ‘IBA Berlijn’ (Internationale Bauausstellung). De stad plande de reconstructie van gebouwen en wijken. Dankzij IBA werden veel samenlevingsmodellen uitgetest, vertelde Köhl. Vele mensen kenden er de mislukkingen van en zijn vandaag in Berlijn meer realistisch over het potentieel voor conflict. 'Weet dat er conflicten zullen zijn.' Köhl weet dat het ook volledig anders kan lopen. ‘We brengen voldoende flexibiliteit binnen in een project, zodat er altijd een plan B is. Anders is de druk op het samenleven te groot.’

Breng voldoende flexibiliteit binnen in een project. Zorg altijd voor een Plan B. Anders is de druk op het samenleven te groot.

In ieder geval liet dit project het kantoor toe een groot netwerk uit te bouwen van mensen die werken op basis van hetzelfde model. Algemene bouwondernemingen zijn moeilijk voor zulke projecten, liet hij optekenen. Het kantoor gelooft wel in samenwerking met diverse bouwfirma’s.

Bouwblok van acht gebouwen: verdichten is aftrekken

De volgende uitdaging was een volledig bouwblok. De bouwgrond werd in dit geval niet gekocht. Van de geplande acht gebouwen ontwierp Fatkoehl Architecten er twee. In dit gebouw kwamen een winkel, een studio, kantoren, een crèche en een tuin: allemaal invullingen zonder staatssteun, maar wel zelforganisatie, zuiver particulier initiatief, ook de crèche. ‘We leerden al snel dat we zelfs meer konden doen’, aldus Köhl.

Ook hier stelde het kantoor de vraag: hoe de stad leefbaar maken? Door densiteit af te trekken in plaats van toe te voegen, was het antwoord. Zien we het de projectontwikkelaar bij ons ook doen? Van elk gebouw één verdieping aftrekken, zodat ze niet te hoog werden. Op de plaats van bouwgrond kwam er een binnenplein, dat ook nog eens werd opengewerkt naar de straat toe. Omdat die opening nog te smal was, werd rekening gehouden met het ontsluiten van extra ruimte via dakterrassen. De gebouwen van Köhl werden ook nog eens geroteerd, zodat het ene gebouw rekening houdt met de privacy van het andere. ‘We verlaagden net de druk op het project’, zei Köhl. ‘Dit maakt een stad leefbaar en interessant’.

Verdichten is aftrekken. We verlaagden net de druk op het project. Dit maakt een stad meer leefbaar en interessant.

Binnen: inzetten op flexibiliteit. Zelfs voor kleine flats bestaan manieren om ze flexibel te maken, bijvoorbeeld wanden die open- en dichtschuiven. In Zwitserland wordt dit nog veel meer doorgedreven. ‘Het standaardvolume maken we zo laagdrempelig mogelijk. Dit geeft mensen met weinig geld de kans om ook iets te doen.'

Dat verdichten aftrekken is, valt bij ons te lezen in het nieuwste nummer van A+ 265: Dissimilitude, dat op boeiende wijze stadsprojecten in Gent en Luik belicht. In Luik werd aftrekking toegepast voor ‘Huizenblok Firquet’ door atelier AC&T in een verwaarloosde wijk. De architecten kozen er voor goedgekozen afbraak zodat er geen al te stricte scheiding kwam tussen gebouwde en open ruimte (F. Gena, ‘Een gevoelige aanpak’, A+ 265, April/mei 2017, p. 10-12, hier p. 10)

Bouwen met veel collectieve ruimte tegen sterke sociale en duurzaamheidsvoorwaarden: Neue Genossenschaften Spreefeld

Volgens Köhl het meest complexe en interessante project, waar Fatkoehl Architecten de eigen vragen het verst doordreef. Hier waren niet, zoals in het eerste project, ‘tien à twintig eigenaars met hun angsten’, maar slechts één klant: de woningbouwcoöperatie. Het gevolg was interessant voor de doelstellingen.

Het project lag aan een interessante locatie: nabij de rivier de Spree. In Kreuzberg had je zonder enige formaliteit toegang tot die stranden en mensen zaten er te praten bij een biertje. ‘Zulke plaatsen lopen gevaar om te verdwijnen, want projectontwikkelaars willen dit soort dingen niet’, aldus Köhl. Kreuzberg was altijd een zeer geëngageerd stadsdeel. Mensen kwamen meteen in opstand en vroegen geen bebouwing op zestig meter gemeten vanaf de rivier. Het architectenbureau nam dit ernstig. ‘Wij kozen voor het behoud van de toegang naar de rivier en het behoud van die soort informaliteit. Dit is een vraag die elke landeigenaar zich kan stellen.’

Wij kozen voor het behoud van de informele, publieke toegang tot de rivier. Projectontwikkelaars zien dit niet graag, maar het is de vraag die elke landeigenaar zich kan stellen.

De drie deelnemende architectenbureaus kregen boven op de eisen van het lastenboek - CO2-neutraal, voorkeur voor hout, geen grijze energie, passiefhuis-standaard - nog een heleboel andere vragen. ‘Dit was zeer interessant’, zei Köhl. ‘Vragen rond sociale en problematische bewonersmixes, hoe je diversiteit vertaalt in woontypologie, de relaties tussen huizen.’ En dan de hamvraag: kunnen jullie dit bouwen tegen 2000 EUR per m2 alles inbegrepen? Dit bleek het budget. 'We werden nerveus, maar gingen proberen.' Daarna volgde een lang proces van workshops. Het kantoor slaagde erin het project tot bijna net binnen budget tot een goed einde te brengen. Er werd een aantal kostenefficiënte oplossingen bedacht:

  • Elk platform is qua opbouw hetzelfde.
  • Minimum aan draagstructuren
  • Façades uit prefab hout, zoals in passiefbouw in één keer geplaatst.
  • Slechts één traphal en wegens minder voorschriften (brandweer) geplaatst buiten. Deze geeft ook toegang tot het dakterras.
  • Kolommen voor technieken: zo weinig mogelijk, zo veel mogelijk mogelijkheden toelatend. Er goed over nadenken hoe ze de flats bedienen.
  • Besparen op kleur, maar wel zorgen voor esthetisch materiaal voor het net van de balkons.

Voor de invulling van de appartementen kwamen de toekomstige bewoners naar de woningbouwcoöperatie, waar ze een gedetailleerd catalogus typologieën onder ogen kregen. In die fase kwamen de medewerkers en begeleiders eraan te pas. ’Dit was een belangrijk middel om mensen tot de keuze van de juiste afmeting van hun appartement te brengen. Elke coöperant (Genosse) kreeg een vooraf bepaalde tijd hoeveelheid en construeerde zijn persoonlijke ruimte. ‘We veranderden muren, bepaalden waar het toilet kwam. Had je geen geld, dan kon je zelf dingen maken. Er waren ook flats met bijna niks.’ Het kantoor wilde de bewoners diversiteit bieden dankzij structuur van het gebouw. Het leverde een gebouw af waar mensen bepaalde rollen konden overnemen. Hoe konden de drie architectenbureaus elk toch nog een klein beetje anders zijn? ‘We maakten een catalogus van ramen en je kon er wat uit kiezen.’

Sommige bewoners kozen voor ‘clusterappartementen’, waar mensen ruimte delen, zoals eetkamer enkeuken, met daarrond tien kamers. ‘De publieke ruimte, bijgenaamd the street, is wat ze delen: een zeer mooie keuken, een gang die op hun kleine flats uitgeeft, waar ze ook nog kleine badkamers en keukens hebben. En een raam. En een gedeelde kamer voor kinderen. Het was zeer slim hoe die groep dat besliste.’

Het meest interessante: de publieke delen in deze gebouwen zijn ruim bemeten. In elk gebouw zijn de twee benedenverdiepingen niet voor bewoning gereserveerd. De op het plan met blauw aangeduide ruimten kunnen flexibel ingevuld, bijvoorbeeld kantoren of crèches.  Elk huis heeft op het terras een collectieve tuin en er zijn grote balkons voorzien in plaats van privéruimte. De andere collectieve ruimte was de ‘optionele ruimte’. Die mochten de architecten niet zelf afwerken, maar ze moesten ze openhouden en overhandigen aan de coöperatie die besliste wat er zou komen.

De twee benedenverdiepingen verschaffen toegang tot het strand. ‘We deden zo weinig mogelijk bomen weg’, zei Köhl. ‘Zo konden we de stad altijd wat bieden. Je kan door het project lopen en naar het strand gaan, waar je een vuurtje kan maken.’ De andere collectieve ruimte was de ‘optionele ruimte’. Die mochten de architecten zelf niet afwerken, maar deze open houden en ze overhandigen aan de coöperatie die moest beslissen wat dit ging worden.

De coöperatie gebruikte de optionele ruimte voor een bijeenkomst over alternatieve modellen voor stadsontwikkeling. Vandaag is er ruimte om te eten, een professionele zowel als een gewone keuken, ruimte voor beweging en ruimte voor maakwerk en constructie (meubels). ‘Dit vergund te krijgen was lastig’, aldus Köhl. ‘We gaven de ruimte een andere naam. De ruimte wordt gefinancierd door de huurinkomsten van de bewoners. Elke ruimte heeft een curator, en is voor gelijk welk publiek event te gebruiken. Er was geen economische druk om te verhuren, maar wel ruimte om te gebruiken. Gecoproduceerde gebouwen kan je niet die druk geven.’

Voor de optionele ruimte was er geen economische druk om ze te verhuren. Er was wel ruimte om te gebruiken. Gecoproduceerde gebouwen kan je niet die druk geven.

Die Laube, Moritzplatz: de negotiatie rond publieke zelfbouw

Tenslotte deed Köhl aan de zelfbouw van een structuur in park waar reeds stadstuintjes waren. De inspiratie werd gehaald bij de boomhuizen voor IBA van de Berlijnse architect Frei Otto en uit de aanplanting van meibomen.  ‘We bouwden een verticale structuur en zochten mensen om dit te bouwen. Zo kon naast het tuinieren ook wat anders gebeuren in die tuin.’ De structuur liet het architectenbureau toe na te denken over architectuur als een organisch, groeiend iets voor andere doeleinden. ‘Architecten hebben vaak dromen en ideeën, maar deze keer wilden we dit realiseren in zelfrealisatie, drie verdiepingen hoog en publiek.’ Ook de plek waar de structuur zou komen, moest worden genegotieerd.

Langzaam kreeg dit vorm. ‘Er komt altijd wel wat nervositeit bij kijken en de vraag blijft of je het wel kunt’, voegt hij eraan toe. Er kunnen ook problemen rijzen zoals geld vinden. ‘Soms is het geld op en dan vind je weer wat geld. Het project kwam er. Het kwam tot samenwerking met de technische universiteit, met studenten en met vaklui die zwaarder hout bewerken zoals voor daken. Er kwam een feest voor alle medewerkers. ‘Ik ben niet naïef, het gaat er niet om om voortaan zo te bouwen’, zegt Köhl, maar een collectief idee samen ontwikkelen is aantrekkelijk.’

Dit project doet wat denken aan Parckfarm T&T bij ons, een initiatief van Alive Architecten. Het betreft hier een tijdelijke sociale ingreep in het park op de Tour & Tassis-site in Brussel. Medio mei 2017 raakte bekend dat de werking ervan permanent wordt vergund mits een paar kleine aanpassingen. Parckfarm brengt bewoners samen rond een moestuin, een educatieve serre, een kippenren en een broodoven.

En bij ons?

De komst naar België van Florian Köhl inspireerde Architectuurwijzer zo hard, dat het in de tweede helft van 2017 de klemtoon legt op ‘architectuurprojecten die een toonbeeld zijn van collectief bouwen en wonen’. Die zijn in Vlaanderen nog schaars, terwijl de voordelen ervan beantwoorden aan economische en duurzaamheidscriteria. Zoals Ar-Tur en Stadsregio Turnhout dit doen (zie vorige blogpost) wil ook Architectuurwijzer inzetten op sensibilisering van andere manieren van wonen.

Noteer alvast woensdag 11 oktober. Dan organiseert Architectuurwijzer een colloquium over Collectief/Coöperatief Wonen. Dit soort wonen komt tegemoet aan de wens van de overheid aan woonverdichting te doen in kernen. In Vlaanderen bestaan vandaag nog juridische en fiscale obstakels die deze vorm van wonen mogelijk maakt, maar het colloquium neemt het voorbeeld van grote projecten elders onder de loep om ervan te leren.

Sprekers zijn Miroslav Sik uit Zürich, over de woningbouwcoöperatie ‘Mehr als Wohnen’ en Architecte Ninke Happel uit Rotterdam is partner in een architectuurkantoor maar ook oprichter van het Rotterdamse Woongenootschap, dat naar het voorbeeld van de woningbouwcoöperaties in Zwitserland bouw- en woonprojecten wil realiseren in Amsterdam.

op 11 oktober wordt ook collectief bouwproject Bijgaardehof in Sint-Amandsberg (Gent) belicht, uit een wedstrijd van SOGent. Het omvat 57 wooneenheden en een wijkgezondheidscentrum. Meer dan 50 participatieve vergaderingen (!) resulteerden in een masterplan. Het kan hier dus ook. In augustus praat Duwobo met Architectuurwijzer als aanloop naar dit colloquium. We hernemen binnenkort ook nog eens wat Anne Malliet vertelde over woningbouwcoöperaties in Cahier #6 van AR-Tur.

Duurzame buurten (inleiding): het belang van burgerparticipatie

Een wijk voor één dag, Beerse (Bron: www.verkavelingsverhalen.be)

Een wijk voor één dag, Beerse (Bron: www.verkavelingsverhalen.be)

In 2050 beantwoorden alle woon- en leefomgevingen in Vlaanderen aan duurzaamheidsprincipes. Dat is een grote ambitie, geformuleerd in de startnota ‘Slim wonen en leven’. Tegen 2020 (binnen 2,5 jaar al) zullen de instrumenten die vandaag bestaan om woonomgevingen te verduurzamen, zoals duurzaamheidsmeter Wijken of Lerend Netwerk Duurzame Wijken opgeschaald zijn naar een systematiek. En die systematiek reikt zowel lokale overheden als burgerinitiatieven de instrumenten aan om in dit traject te kunnen stappen. De volgende 2,5 jaar wordt belangrijk.

‘We kijken te weinig vooruit’, waarschuwt de recent overleden socioloog Zygmunt Bauman in Retrotopia, zijn laatste boek. Om niet te vervallen in de door hem beschreven ‘retrotopieën’ moeten we écht vooruitkijken. Eén Europees burger op zes woont ongezond, claimt de studie Healthy Homes Barometer 2017 (gepubliceerd op 31 mei). Voor België is dit één op de acht (noot 1). Werk genoeg dus. De woonbarrière is tegelijk groot. Huren wordt duurder en woningen kopen is voor 80% van de huurders een hoge drempel. Er zijn kleine oplossingen, zoals de ‘hamsterhuurwoning’ van een bouwfirma uit Sint-Truiden, dat de goedkeuring heeft van het Vlaams huurdersplatform (noot 2). Maar we hebben ook nood aan projecten die echt het verschil maken.

Bouwen vraagt ook altijd tijd (vraag maar aan de federaal minister van Justitie die nieuwe gebouwen voor detentie probeert te bouwen). In deze reeks willen we kijken naar duurzame woonwensen en hoe deze via participatieve processen te realiseren. Uit onze vorige blogpost leerden we hoe belangrijk het is om bewoners te betrekken bij hun wonen. Vraag bewoners naar hun woonwensen en bouw niet zomaar wat. Kijk of het project goed is voor de omgeving, de buurt. Participatieve burgertrajecten rond bouwen en wonen zijn nog niet ingeburgerd. Anders zouden u en ik onmiddellijk ‘ja’ antwoorden op de vraag of we hetzij weet hebben van zo’n project, hetzij er zelf al aan eentje deelnamen.

Participatieve burgertrajecten rond bouwen en wonen zijn nog niet ingeburgerd. Anders zouden u en ik onmiddellijk ‘ja’ antwoorden op de vraag of we er zelf aan eentje deelnamen.

Voor mobiliteit zien we het al vaker. In Schepdaal (Dilbeek) bijvoorbeeld wachtten burgers de eventuele plannen van hun gemeente voor de dorpskern niet af, maar startten ze zelf met een burgerinitiatief rond de inrichting van de wijk. De respons was groot. Andere gemeenten klopten intussen bij ons aan voor tips, meldde Dirk Evenepoel van het kerncomité en Schepdaal Leeft vzw.  Van iets kleinschaligs en lokaals groeide dit uit tot een plan dat werd goedgekeurd op het schepencollege (noot 3).

Soms zijn bewoners met klem vragende partij voor inspraak. Dit is het geval rond de Brusselse nieuwe metrolijn 3 (van het Noordstation naar Bordet) die het Brussels gewest bouwt tegen 2025. Zich verenigde collectieven willen dat de metrostations bovengronds goed worden geïntegreerd in de stad. ‘Gun bewoners inspraak over bovengrondse metrostations Noord’, schrijven ze. En ook: ’Informatievergaderingen organiseren voor inwoners en belanghebbenden volstaat niet’. Wat telt is een ‘echt burgerparticipatieproces’ (noot 4).

Stadsregio Turnhout

In Vlaanderen gebeurt wel al wat inzake participatie rond wonen en bouwen. Stadsregio Turnhout en AR-TUR deden vanaf 2014 tot vandaag, maar vooral in 2015-2016, een paar interessante dingen, mooi opgelijst in Cahier #6 WoonLabo - verslaggeving van activiteiten 2015-2016 (inleiding: Edith Wouters en Evelien Pieters). Dit deden ze niet alleen, maar met partners: Wonen Vlaanderen, Kamp C, U Antwerpen, U Hasselt, Provincie Antwerpen. We lijsten even op wat ze deden en met welke partners:

  • Start in 2014 van WoonLabo, ‘om het denken over wonen in de toekomst verder aan te jagen’, in samenwerking met de partners. Stadsregio Turnhout zet dit verder als beleidsonderdeel.
  • Tentoonstelling ‘Dichter wonen, ruimer leven’: het resultaat van ontwerpend onderzoek door studenten van U Antwerpen op de verdichting van verkavelingen in Turnhout. Verdichting betekende ook een meerwaarde geven aan projecten door te streven naar collectieve winsten (voor alle bewoners samen).
  • Nieuwe wijk voor één dag (2015): studenten van U Hasselt werkten vier alternatieven uit voor de klasseieke verkavelingswijk. Eén van de scenario’s werd met bamboestokken op ware grootte uitgezet.
  • Mijn Wijk (2016): burgerparticipatie in de praktijk gebracht. Hier organiseerde WoonLabo workshops voor de bewoners samen met professionelen rond verdichtingsscenario’s in hun woonwijk in Oud-Turnhout. Ook hier werd één van de mogelijke scenario’s ruimtelijk uitgezet in de wijk.
  • Verkavelingsverhalen: een los collectief ontstaan aan U Hasselt van architecten en onderzoekers rond de verkaveling en de toekomst ervan. Dit resulteerde in een tentoonstelling, een debat én het boek Verkavelingsverhalen (Mechelen 2016).
  • Lezingen ‘Bouwstenen voor een nieuwe wooncultuur’, in samenwerking met Kamp C.
  • geWOONtebreker (2017): gestart in Beerse, maar wordt door Provincie Antwerpen uitgerold naar de hele provincie. Steun aan participatieve trajecten die verandering brengen in onze doorsnee woonmentaliteit.
  • Kempenatlas (2017), een boek met kaarten en verhalen dat de ruimte van de Kempen in kaart brengt. Hier vloeit het Kempenlab uit voort: een plaats om te spreken over de ruimte en de bebouwde omgeving en met zulke thema’s te experimenteren. De atlas wordt in september 2017 voorgesteld.
  • Lezingenreeks ‘Duurzame toekomst voor de Kempen’ (2017): Vier thema’s, mobiliteit, energielandschappen, dorpsarchitectuur en open ruimte, worden belicht. Een samenwerking van AR-TUR en Kamp C. De lezing van 13 juni, getiteld Veerkrachtige open ruimte, moet nog plaatsvinden.

Hopelijk verdient dit elders navolging, zonder dat wij er al weet van hebben.

Noten
Noot 1. S. Devillers, ’Un Belge sur huit vit dans une habitation malsaine’, La Libre, 31 mei 2017, voorpagina; p. 26-27.
Noot 2. M. Uyttenhove, ‘Huren = tegelijk sparen voor eigen huis’, HLN 15 februari 2016, p. 11. Het gaat om bouwfirma Gilen.
Noot 3. M. Elinckx, ’Wat het dorp voorstelt’, HLN, 12 april 2017, p. 16.
Noot 4. ‘Gun bewoners inspraak over bovengrondse metrostations Noord’, Mijn gedacht, Bruzz 1564, 30 maart 2017, p. 15.
Voor dit artikel werd ruim geput uit Cahier #6 WoonLabo - verslaggeving van activiteiten 2015-2016 van AR-TUR, dat als PDF kan worden gedownload en dat op papier ook te krijgen is hier. Copyright foto: Verkavelingsverhalen.